Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder artikel 32.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder de artikelen 32, 277 en 278.
Het zittingsverslag werd vervangen door een audio-opname die beschikbaar wordt gesteld op de website.
Enig artikel. Keurt de notulen en het zittingsverslag van de gemeenteraadszitting van 17 november 2025 goed.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder artikel 163.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder titel 2.
In de gemeenteraadszitting van 20 oktober 2025 werd de heer Pieter Delbarge aangesteld als algemeen directeur. De heer Pieter Delbarge treedt in dienst op 5 januari 2026.
Artikel 163 van het decreet over het lokaal bestuur schrijft het volgende voor: ‘Na hun aanstelling leggen de algemeen directeur, de adjunct-algemeendirecteur en de financieel directeur tijdens een openbare vergadering van de gemeenteraad de volgende eed af in handen van de voorzitter: Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen.’
Enig artikel: neemt kennis van de eedaflegging als algemeen directeur van de heer Pieter Delbarge.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder artikel 432 - alinea 3.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder deel 3 - titel 3 over de intergemeentelijke samenwerking.
De statuten van de Intergemeentelijke Samenwerking Westlede (IGS Westlede).
Het gemeenteraadsbesluit 27 januari 2025 houdende aanduiding van de heer Rigo Van de Voorde als vertegenwoordiger en van mevrouw Charlotte Lecluyse als plaatsvervangend vertegenwoordiger in de algemene vergadering van de Intergemeentelijke Samenwerking Westlede (IGS Westlede).
Bij e-mail van 24 november 2025 ontving het gemeentebestuur een uitnodiging voor een algemene vergadering van de Intergemeentelijke Samenwerking Westlede (IGS Westlede) op 2 december 2025 met volgende agenda:
Alhoewel de algemene vergadering reeds plaatshad, vraagt men toch nog een goedkeuring van de agenda.
Artikel 1. Zijn goedkeuring te hechten aan de agenda van de buitengewone algemene vergadering van de Intergemeentelijke Samenwerking Westlede (IGS Westlede) van 2 december 2025 met volgende punten:
Art. 2. Afschrift van dit besluit wordt gestuurd naar de Intergemeentelijke Samenwerking Westlede.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 40.
De wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, in het bijzonder artikel 40 lid 3.
De wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, in het bijzonder de artikelen 71 tot 76.
Het KB van 16 november 2001 houdende de nadere regels inzake de berekening en de verdeling van de gemeentelijke dotaties in de schoot van een meergemeente politiezone.
De gemeente Sint-Martens-Latem maakt deel uit van de Politiezone Schelde - Leie en dient aldus bij te dragen tot de financiering van de zone.
De begroting van de politiezone 2026 voorziet in een bijdrage van de gemeente Sint-Martens-Latem ten bedrage van:
Artikel 1. Goedkeuring wordt verleend aan de dotatie dienstjaar 2026 van Sint-Martens-Latem aan de Politiezone Schelde - Leie ten bedrage van
Art. 2. Deze uitgaven werden voorzien in het meerjarenplan van het lokaal bestuur Sint-Martens-Latem.
Art. 3. Afschrift van dit besluit wordt gestuurd naar de heer gouverneur van de provincie naar Toezicht.ovl@ibz.fgov.be en naar de voorzitter van de politieraad.
Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, artikelen 41, 162, 2° en 170, §4.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikelen 2, 40 §3, 41 alinea 2 – 14° en 56 §3 7°.
Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, artikelen 466 tot en met 470/2.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017.
Besluit van de gemeenteraad van 16 december 2019 betreffende de goedkeuring van het reglement aanvullende belasting op de personenbelasting 2020 - 2025.
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente gelet op de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht in het Meerjarenplan 2026-2031 te handhaven en de bijhorende financiële toestand waarbij het bestuur kiest voor een gezond financieel beleid.
De ontvangsten zijn ingeschreven in het Meerjarenplan 2026-2031 onder jaarbudgetrekening GBB/0020-00/730100/GEMEENTE/CBS/IP-GEEN.
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het reglement op de aanvullende belasting op de personenbelasting (2026 - 2031), zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 2. Dit reglement vervangt het reglement op de aanvullende belasting op de personenbelasting 2020 - 2025, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad van 16 december 2019.
Bijlage: Reglement op de aanvullende belasting op de personenbelasting (2026-2031)
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit belastingreglement wordt verstaan onder:
Artikel 2. Toepassingsgebied
§1. Het gemeentebestuur heft een aanvullende belasting op de rijksinwoners die belastbaar zijn in de gemeente op 1 januari van het aanslagjaar.
De belasting wordt geheven voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031.
§2. Het belastingreglement is geldig van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 3. Berekeningsgrondslag en aanslagvoet
De belasting wordt vastgesteld op 5,5 % van de overeenkomstig artikel 466 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 berekende grondslag voor hetzelfde aanslagjaar. Deze belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het aanslagjaar voorafgaande jaar.
Artikel 4. Inning
De vestiging en de inning van de gemeentelijke belasting gebeuren door het bestuur der directe belastingen, zoals bepaald in artikel 469 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
Artikel 5. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het belastingreglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 § 1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, artikelen 41, 162, 2° en 170 § 4.
Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikelen 2, 40 §3, 41 alinea 2 - 14° en 56 §3 7°
Wetboek van de inkomstenbelasting van 10 april 1992.
Wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies.
Besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017 tot uitvoering van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register.
Omzendbrief BB 2008/07 van 18 juli 2008 aangaande het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019.
Besluit van de Gemeenteraad van 15 december 2025 betreffende het retributiereglement ter invordering van fiscale ontvangsten bij de gemeente (2026-2031).
Besluit van de Gemeenteraad van 14 december 2020 betreffende de goedkeuring van het belastingreglement op het verstrekken van toeristische logies (2021-2025).
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente gelet op de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht in het Meerjarenplan 2026 - 2031 te handhaven en de bijhorende financiële toestand waarbij het bestuur kiest voor een gezond financieel beleid. In die zin komt de continuïteit van de werking van de gemeentediensten en de dienstverlening – ook op lange termijn – niet in het gedrang.
Het verstrekken van toeristische logies is een economische activiteit die voor de natuurlijke of rechtspersonen, actief in deze sector, redelijkerwijze inkomsten genereren, wat derhalve des te meer verantwoordt dat ook zij de belastingen betalen die hen ten laste worden gelegd. De mensen die in de gemeente overnachten in een logiesverstrekkend bedrijf maken gebruik van de gemeentelijke voorzieningen, zodat het gerechtvaardigd voorkomt om in de vorm van een gemeentebelasting een bijdrage te vragen voor de gemeentelijke inzet van middelen voor gemeentelijke dienstverlening en voor de verfraaiing en de veiligheid van de gemeente aan de logiesverstrekkende sector die hieruit specifiek voordeel haalt. Het gaat om een belasting die door de exploitant kan worden doorgerekend aan de toerist en die betrekking heeft op elke overnachting in een logiesverstrekkend bedrijf, zoals gastenkamers, B&B’s, hotels, vakantielogies, vakantiewoningen en campings.
De jaarlijkse stijging van de inflatie wordt doorgerekend in de loonkost van de administratie door het principe van automatische loonindexering bij het overschrijden van de spilindex gekoppeld aan de gezondheidsindex. De verhoging van de loonkosten zorgt ervoor dat het aanbieden van de gemeentelijke voorzieningen duurder wordt. Het is gerechtvaardigd om de financiële tussenkomst van de belastingplichtigen aan te passen aan deze inflatiestijging. Het belastingtarief wordt daarom jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
Met ‘toerist’ wordt elke persoon bedoeld die verblijft op een andere dan zijn alledaagse omgeving. Het gaat dus niet enkel om vrijetijdstoerisme, maar ook om zakenreizen. Het belastingreglement voorziet in een aanslag voor het verstrekken van toeristische logies zoals bedoeld in artikel 2 van het decreet houdende het toeristische logies van 5 februari 2016. Het gaat om alle logiesvormen uit het logiesdecreet, behoudens de uitzonderingen verder vermeld.
De belastingplichtige is de uitbater van de toeristische logies. Het is hij die het voordeel haalt uit de investeringen van de gemeente Sint-Martens-Latem in het toerisme, gezien dit een vraag naar overnachtingen creëert waar de uitbater op inspeelt met zijn activiteit. Het tarief wordt vastgesteld op een forfaitair bedrag van 5,66 euro per overnachting. Op die manier wordt de financiële last van deze bijkomende belasting, gespreid over alle aanbieders van toeristische logies naargelang het aantal toeristen dat zij ontvangen.
Er wordt uitdrukkelijk geen rekening gehouden met het tarief van de bedden die worden aangeboden, om enige discussie rond de toepassing van artikel 464 WIB 92 te vermijden (verbod op belastingen bepaald op de omzet). Daardoor wordt de belasting slechts bij benadering verdeeld overeenkomstig de financiële draagkracht van de logiesuitbaters. Het Hof van Cassatie heeft in het verleden echter bevestigd dat de verschillende vermogenstoestanden van de belastingplichtigen slechts op vereenvoudigde en benaderende wijze kunnen opgevangen worden in een belastingreglement (Cass. 1 oktober 1999, AR F.98.0111.N, Provincie Limburg / Mijnen NV, Tijdschrift voor Fiscaal Recht 2000/5, 80).
Het is voor de toepassing van dit belastingreglement niet relevant of de concrete overnachting al dan niet betalend is. Hoewel het Logiesdecreet van 5 februari 2016 de toeristische logies aanduidt als de inrichting die aan één of meer toeristen tegen betaling wordt aangeboden op de toeristische markt, verhindert dit niet om de occasionele niet-betalende overnachtingen gelijk te belasten met de betalende overnachtingen, zolang het logies maar doorgaans tegen betaling wordt aangeboden op de markt en dus principieel onder de toepassing van het decreet (en het belastingreglement) valt.
De in het reglement opgenomen vrijstelling voor instellingen die zieken of gekwetsten verzorgen is te verantwoorden gezien het maatschappelijk nut van deze instellingen en het feit dat zij zonder winstbejag een doel van menslievendheid of maatschappelijk nut nastreven. Het is gerechtvaardigd om alleen die overnachtingen van volwassenen en jongeren – vanaf 12 jaar – te laten meetellen voor het berekenen van de belasting gezien de gemeente Sint-Martens-Latem zich als kindvriendelijke gemeente wenst te profileren.
Het aantal overnachtingen moet per semester in een aangifte worden gerapporteerd. Voor de startende uitbatingen gebeurt dit aan de hand van een register dat de administratie ter beschikking stelt. Uit dit register kan op elk moment de precieze bezetting van de uitbating worden nagegaan. Per maand wordt voorzien in een totaal, wat meteen de basis is voor de berekening van de belasting voor die maand. Het register moet steeds ter inzage liggen in de uitbating, of voor vakantiewoningen (incl. AirBNB) op een vooraf afgesproken locatie. Het reglement voorziet eveneens in een afwijkend register in de vorm voorgesteld door de uitbater, voor zover deze vorm aan een aantal minimumvereisten voldoet en door het college van burgemeester en schepenen uitdrukkelijk wordt goedgekeurd. Zo vermindert de administratieve last voor die uitbaters die over een geautomatiseerd systeem voor in- en uitchecken beschikken, en waaruit op elk moment een bezettings- en overzichtsrapport kan worden getrokken.
Onder bepaalde omstandigheden wordt de uitbater van de registratieplicht ontheven. Dit is het geval wanneer het register minimaal de 6 voorgaande semesters door de uitbater correct werd gebruikt, er geen boetes of ambtshalve belastingverhoging werden toegepast en er geen fiscale betwisting lopende is. Er is dan een zekere vertrouwensband opgebouwd met de uitbater, die verantwoordt dat het bijhouden van een register niet meer noodzakelijk is. Uiteraard blijft controle aan de hand van andere documenten – bvb. boekhouding – steeds mogelijk. Voor die uitbatingen die niet meer aan de registerplicht zijn onderworpen, wordt in een aangifteformulier voorzien waarin de totalen per maand ook per semester moeten worden aangegeven. De registerplicht kan terug van kracht worden, indien niet meer aan de voorwaarden is voldaan – de vertrouwensband is dan verbroken – of indien de aangegeven overnachtingen dalen met minstens 30 % ten opzichte van het corresponderende semester van het vorig aanslagjaar, of met minstens 20 % op jaarbasis.
De ontvangsten zijn ingeschreven in het Meerjarenplan 2026 - 2031 onder jaarbudgetrekening GBB/0020-00/734190/GEMEENTE/CBS/IP-GEEN.
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het belastingreglement op het verstrekken van toeristische logies (2026-2031), zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 2. Dit reglement vervangt het belastingreglement op het verstrekken van toeristische logies (2021-2025), zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 14 december 2020.
Bijlage: Belastingreglement op het verstrekken van toeristische logies (2026-2031)
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit belastingreglement gelden de definities bepaald in artikel 2 van het Decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies, onder meer:
Artikel 2. Toepassingsgebied
§1. De gemeente heft een indirecte belasting op het verstrekken van toeristische logies aan personen in de daartoe uitgeruste gelegenheden zoals bedoeld in artikel 3 van dit belastingreglement. De belasting wordt geheven voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031.
§2. Het belastingreglement is geldig van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 3. Belastingplichtige
§1. Belastingplichtige is de natuurlijke- of rechtspersoon die een logiesverstrekkend bedrijf uitbaat conform de bepalingen van het logiesdecreet van 5 februari 2016 en zijn latere wijzigingen.
§2. Indien de exploitant zijn exploitatie stopt of overdraagt in de loop van een semester, is de exploitant de belasting verschuldigd voor de overnachtingen die hebben plaatsgevonden tijdens de periode dat hij de toeristische logies heeft aangeboden. In geval van overdracht is de overnemende exploitant de belasting verschuldigd voor de overnachtingen die hebben plaatsgevonden vanaf de datum van overdracht. In geval van een overnachting die start in de exploitatieperiode van de overdragende exploitant en eindigt in de exploitatieperiode van de overnemende exploitant, is de belasting verschuldigd door de overnemende exploitant.
§3. In geval van overlijden van de belastingplichtige wordt ingekohierd op naam van de overleden belastingplichtige voorafgegaan door het woord ‘Nalatenschap’.
§4. In geval van onverdeeldheid van meerdere belastingplichtigen wordt ingekohierd hetzij op naam van alle belastingplichtigen, hetzij op naam van een of meer van de belastingplichtigen, gevolgd door de vermelding ‘en rechthebbenden’. Ingeval er meerdere belastingplichtigen zijn, zijn allen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
Artikel 4. Hoofdelijkheid
De zakelijk gerechtigde(n) van het onroerend goed waarop of waarin de exploitatie is gevestigd, is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting. Ingeval er meerdere zakelijk gerechtigde(n) zijn, zijn allen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
Artikel 5. Berekeningsgrondslag en tarief
§1. De belasting wordt berekend als volgt:
§2. De belasting bedraagt 5,66 euro per overnachting en per persoon.
§3. Voor het belastingtarief wordt een jaarlijkse indexering voorzien op 1 januari, die gekoppeld is aan de gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement. Het belastingtarief wordt jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat. De formule voor berekening die hierbij wordt toegepast: [huidig tarief] x [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat] / [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement].
Artikel 6. Vrijstellingen of verminderingen
Van de belasting worden vrijgesteld:
Artikel 7. Inning en invordering
§1. De inning en invordering gebeurt overeenkomstig de procedure voorzien in het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, invordering en geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. De bepalingen inzake de verwijl- en moratoriuminteresten zijn op deze belasting van toepassing zoals betreffende de rijksbelastingen op de inkomsten.
§2. Invorderingsdocumenten worden door de gemeente in gesloten omslag toegezonden.
Als het gemeentebestuur voor een bepaalde belasting de eBox gebruikt om digitaal een invorderingsdocument ter beschikking te stellen en als de belastingplichtige de eBox activeerde, wordt dit invorderingsdocument echter uitsluitend via de eBox aangeboden. Het activeren van de eBox geldt als een uitdrukkelijke instemming met digitale aanbieding.
De digitale aanbieding, vermeld in het tweede lid, geldt als rechtsgeldige kennisgeving van dit invorderingsdocument en brengt dezelfde rechtsgevolgen tot stand als de verzending ervan in gesloten omslag. Van zodra de eBox niet meer geactiveerd is, wordt het invorderingsdocument in kwestie door het gemeentebestuur toegezonden overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 8. Registerplicht
§1. De exploitant moet een door het gemeentebestuur aangeboden register bijhouden waarin o.a. per nacht het aantal logerende personen en het aantal bezette kamers wordt vermeld.
§2. Bij aanvang van de exploitatie en vóór elk aanslagjaar ontvangt de belastingplichtige een register. De belastingplichtige die dergelijk register niet ontvangt moet dit register spontaan vragen aan de Dienst Financiën per e-mail (belastingen@sint-martens-latem.be) of per post.
§3. Dit register moet steeds ter inzage liggen in het logiesverstrekkend bedrijf of op een vooraf afgesproken locatie, en spontaan worden voorgelegd aan de controlerende ambtenaren. Dit register vermeldt o.a. de recentste stand van het aantal overnachtingen.
§4. Op voorafgaande vraag en na goedkeuring door het college van burgemeester en schepenen kan er afgeweken worden van het voorgeschreven register. Het register moet in elk geval minimaal volgende gegevens bevatten:
§5. De registerplicht bedoeld in dit artikel wordt opgeheven voor die logiesverstrekkende bedrijven die aansluitend minimaal de vorige zes semesters werden belast op toeristische logies, voor zover geen fiscale betwistingen lopende zijn of in deze periode geen administratieve geldboete of ambtshalve belastingverhoging van toepassing zijn. Deze voorwaarde wordt jaarlijks op 1 december beoordeeld om van toepassing te zijn vanaf 1 januari van het volgende aanslagjaar.
§6. De registerplicht zoals bepaald in §1 wordt echter terug van kracht ingeval:
Artikel 9. Aangifteplicht
§1. De belastingplichtige moet ten laatste veertien dagen na elk semester van het aanslagjaar de ingevulde, ondertekende en gedateerde registerbladen elektronisch bezorgen aan Dienst Financiën, via de gemeentelijke webapplicatie (indien van toepassing) of via belastingen@sint-martens-latem.be. Deze registerbladen gelden als aangifte.
§2. Indien een afwijking van het register door het college werd goedgekeurd, dienen eveneens de uittreksels of lijsten met de verplichte gegevens, ondertekend en gedateerd elektronisch te worden teruggestuurd naar de Dienst Financiën, via de gemeentelijke webapplicatie (indien van toepassing) of via belastingen@sint-martens-latem.be, en dit ten laatste veertien dagen na elk semester van het aanslagjaar. Deze uittreksels of lijsten gelden als aangifte. De belastbare overnachtingen dienen getotaliseerd te worden per maand.
§3. Ingeval er geen registerplicht wordt opgelegd, moet de uitbater een door het gemeentebestuur aangeboden aangifte ingevuld, ondertekend en gedateerd terugsturen naar de dienst Financiën, via de gemeentelijke webapplicatie (indien van toepassing) of via belastingen@sint-martens-latem.be, ten laatste veertien dagen na elk semester van het aanslagjaar. Een belastingplichtige die geen aangifteformulier gekregen heeft, moet er zelf één vragen bij Dienst Financiën.
§4. Valt de uiterste indieningsdatum op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. De aangifte is laattijdig wanneer ze na de uiterste indieningsdatum is gepost of wanneer ze na de laatste nuttige dag wordt afgegeven tegen ontvangstbewijs. Als de aangifte digitaal verzonden wordt, geldt de datum van de verzending als datum van aangifte.
§5. Aangiftes worden elektronisch bezorgd aan Dienst Financiën naar het e-mailadres belastingen@sint-martens-latem.be, in afwachting van verplichte indiening via de website van de gemeente Sint-Martens-Latem. Iedere andere vorm van aangifte is ongeldig.
Artikel 10. Meldingsplicht
De exploitant van een logiesverstrekkend bedrijf moet in geval van het starten van een nieuwe exploitatie, de stopzetting of tijdelijk sluiten van een bestaande exploitatie, dit onmiddellijk melden aan Dienst Financiën. Deze melding kan via e-mail gebeuren naar belastingen@sint-martens-latem.be
Artikel 11. Controle en onderzoek
De door het college van burgemeester en schepenen aangestelde personeelsleden, overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 30 mei 2008, zijn gemachtigd om vaststellingen te doen van feiten die aanleiding gaven tot het vestigen van de belasting.
Zij controleren onder andere de oprechtheid van de aangiften, met alle middelen waarvoor zij beschikken. De belastingplichtigen zijn verplicht deze controle te vergemakkelijken.
Zij zijn eveneens bevoegd elke inbreuk op het huidig reglement vast te stellen en moeten daarvoor toegang krijgen tot alle plaatsen waar de belastbare feiten plaats kunnen hebben.
Artikel 12. Ambtshalve belasting
§1. Als er een onvolledige, onjuiste of geen aangifte is gedaan voor de aangiftedatum, vermeld in artikel 9, kan de belastingplichtige ambtshalve worden belast, mits inachtneming van de in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 voorzien bepalingen.
§2. De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met 20% van de verschuldigde belasting bij een eerste overtreding. Bij volgende overtredingen zal een verhoging van 50% of 100% worden toegepast bij respectievelijk een tweede en derde overtreding. Vanaf de vierde overtreding zal de belastingverhoging 200% bedragen. Voor de vaststelling van het toe te passen percentage van de belastingverhoging worden de vorige overtredingen niet in aanmerking genomen, wanneer geen overtredingen werden vastgesteld voor de laatste twee opeenvolgende aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarin de nieuwe overtreding wordt vastgesteld. Een correcte aangifte gedurende twee opeenvolgende jaren herstelt aldus de goede trouw in hoofde van de belastingplichtige. Het bedrag van deze verhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd. De procedure van artikel 7§4 van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen wordt voor wat betreft de belastingverhoging, gevolgd.
§3. Voor de belasting ambtshalve wordt gevestigd, brengt het college van burgemeester en schepenen de belastingplichtige met een aangetekende brief op de hoogte van de redenen waarom ze gebruik maakt van deze procedure, de elementen waarop de belasting is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van die elementen en het bedrag van de belasting.
Als de belastingplichtige ingestemd heeft met de digitale uitwisseling van fiscale berichten, met toepassing van artikel 7, is aan het vereiste van het aangetekend schrijven, vermeld in het voorgaande lid, voldaan als bewijs geleverd kan worden van het tijdstip van de digitale verzending.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de ontvangst van de kennisgeving, vermeld in het tweede lid van dit artikel, om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen. De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van verzending van de kennisgeving. Als de kennisgeving verzonden werd via digitale weg, geldt de datum van de verzending als datum van de kennisgeving.
Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om digitale berichten uit te wisselen, zoals de eBox, wordt de kennisgeving geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop de kennisgeving voor de belastingplichtige toegankelijk wordt.
Artikel 13. Administratieve geldboete
§1. Een administratieve geldboete van 250 euro wordt opgelegd in volgende gevallen:
Deze boetes zijn cumuleerbaar.
§2. Op het bedrag van de administratieve geldboete wordt een jaarlijkse indexering voorzien op 1 januari, die gekoppeld is aan de consumptieprijsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement. De administratieve boete wordt jaarlijks aangepast aan de consumptieprijsindex van de maand november die aan de aanpassing voorafgaat. De formule voor berekening die hierbij wordt toegepast: [huidig tarief] x [consumptieprijsindex (2013 = 100) van de maand november die aan de aanpassing voorafgaat] / [consumptieprijsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement].
Na indexering rondt de gemeente de administratieve geldboete af naar het dichtstbijzijnde veelvoud van euro.
§3. De administratieve boete wordt gelijktijdig en samen met de belasting ingekohierd en ingevorderd.
Artikel 14. Bezwaren
§1. Op grond van het Decreet van 30 mei 2008 en volgens de daar beschreven voorwaarden kan tegen deze belasting en administratieve geldboete een bezwaar ingediend worden bij het college van burgemeester en schepenen.
Het Decreet van 30 mei 2008 bepaalt dat het bezwaar schriftelijk moet worden ingediend, en ondertekend en gemotiveerd moet zijn. Het bezwaar moet worden ingediend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger.
Het bezwaarschrift wordt op straffe van verval ingediend binnen drie maanden vanaf de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet heeft ontvangen of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet digitaal verzonden werd, geldt de datum van verzending als datum van zijn verzending.
Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om digitale berichten uit te wisselen, zoals de eBox, wordt het aanslagbiljet geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop het aanslagbiljet voor de belastingplichtige toegankelijk wordt.
§2. Het bezwaarschrift moet ofwel schriftelijk ingediend worden (aangetekend of tegen ontvangstbewijs) ofwel digitaal op volgend e-mailadres: belastingen@sint-martens-latem.be . Het moet de naam, de hoedanigheid en het adres of de zetel van de belastingplichtige vermelden. Het moet ook het voorwerp van het bezwaarschrift en de motivatie samen met een opgave van de feiten en de middelen vermelden. Als de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger wil uitgenodigd worden op de hoorzitting moet dit in het bezwaarschrift worden gevraagd.
Artikel 15. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het belastingreglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286§1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, artikelen 41, 162 2° en 170, §4.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikelen 2, 40 §3, 41 alinea 2 – 14° en 56 §3 7°.
Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, artikel 464/1, 1°.
Decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, artikelen 2.1.4.0.2 en 3.1.0.0.4
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 41, alinea 3.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Besluit van de gemeenteraad van 16 december 2019 betreffende de goedkeuring van de opcentiemen op de onroerende voorheffing 2020-2025.
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente gelet op de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht in het Meerjarenplan 2026 - 2031 te handhaven en de bijhorende financiële toestand waarbij het bestuur kiest voor een gezond financieel beleid.
De gemeente Sint-Martens-Latem heeft een reglement voor vestiging van opcentiemen op de onroerende voorheffing. Dit reglement loopt t.e.m. 31/12/2025. Vanaf aanslagjaar 2026 is het wenselijk om dit reglement te hernieuwen, gezien de hervorming van de gemeentelijke belastingen. Tot op heden bedragen de opcentiemen voor alle partijen 472 opcentiemen. De gemeente Sint-Martens-Latem streeft naar een eerlijke en evenwichtige verdeling van de gemeentelijke fiscaliteit op basis van draagkracht. Daarom past de gemeente een differentiatie van de opcentiemen toe, waardoor de bijdragen proportioneel worden gespreid en beter aansluiten bij de financiële mogelijkheden van verschillende belastingplichtigen. Deze aanpak versterkt het financiële welzijn van de gemeente, maakt de inkomstenstroom voorspelbaar en stabiel, en blijft tegelijk administratief eenvoudig uitvoerbaar. Zo kan Sint-Martens-Latem op een transparante manier haar dienstverlening en investeringen op lange termijn plannen en realiseren.
De differentiatie wordt mogelijk gemaakt door het decreet van 15 mei 2018, dat artikel 41 van het decreet lokaal bestuur wijzigt, en sinds 2019 toelaat een gedifferentieerd tarief voor de opcentiemen onroerende voorheffing toe te passen. Het getrapt systeem van differentiatie is opgebouwd op basis van het belastbaar kadastraal inkomen (KI). Daardoor dragen de meest kapitaalkrachtigen, in termen van onroerend goed, in verhouding meer bij tot de noden van de samenleving waar ze de dienstverlening en infrastructuur van gebruiken. Het is niet onredelijk om te stellen dat die vraag in de regel ook evenredig toeneemt met het KI, aangezien dit een indicatie van het economisch nut is van het goed. In het getrapt systeem blijft het basistarief op 472 opcentiemen de basis categorie: percelen met een belastbaar kadastraal inkomen kleiner dan 4.000 euro. Categorie 1 omvat percelen met een belastbaar kadastraal inkomen vanaf 4.000 euro en kleiner dan 5.000 euro, waarop een tarief van 610 opcentiemen van toepassing is. Categorie 2 omvat de percelen met een belastbaar kadastraal inkomen groter en gelijk aan 5.000 euro, waarop een tarief van 730 opcentiemen van toepassing is.
Aangezien de inning van de onroerende voorheffing verloopt via het IVA Vlaamse Belastingdienst, werd voorafgaandelijk technisch advies gevraagd over de conformiteit en de praktische haalbaarheid van dit systeem. Op 22/10/2025 werd het positief advies ontvangen dat als bijlage bij dit punt wordt gevoegd.
De ontvangsten zijn ingeschreven in het Meerjarenplan 2026 - 2031 onder jaarbudgetrekening GBB/0020-00/730000/GEMEENTE/CBS/IP-GEEN.
Artikel 1. Toepassingsgebied
§1. Het gemeentebestuur heft opcentiemen onroerende voorheffing. De belasting wordt geheven voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031.
§2. Het belastingreglement is geldig van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 2. Berekeningsgrondslag en aanslagvoet
De differentiatie van opcentiemen onroerende voorheffing bevat volgende tarieven:
| Categorie | Waarde aanslagjaar | Toelichting |
| BASIS | 472 | Basis opcentiemen: belastbaar KI kleiner dan €4.000,00 |
| CATEGORIE 1 | 610 | Opcentiemen voor grote percelen – schijf 1: belastbaar KI vanaf €4.000,00 & kleiner dan €5.000,00 |
| CATEGORIE 2 | 730 | Opcentiemen voor grootste percelen – schijf 2: belastbaar KI groter en gelijk aan €5.000,00 |
Artikel 3. Inning
De vestiging en de inning van de gemeentelijke belasting gebeuren door de Vlaamse Belastingdienst.
Artikel 4. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het belastingreglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 § 1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Gecoördineerde Grondwet van België van 17 februari 1994, artikelen 41, 162, 2° en 170 § 4.
Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikelen 2, 40 §3, 41 alinea 2 - 14° en 56 §3 7°.
Wetboek van de inkomstenbelasting van 10 april 1992.
Wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, met latere wijzigingen.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikels 286 t.e.m. 288 en 326 t.e.m. 341
Besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA), met latere wijzigingen.
Besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017 tot uitvoering van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies.
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register.
Omzendbrief BB 2008/07 van 18 juli 2008 aangaande het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019.
Besluit van de Gemeenteraad van 15 december 2025 betreffende het retributiereglement ter invordering van fiscale ontvangsten bij de gemeente (2026-2031).
Besluit van de Gemeenteraad van 14 december 2020 betreffende de goedkeuring van het belastingreglement op de verspreiding van niet-geadresseerd drukwerk en gelijkgestelde producten (2021 - 2025).
Besluit van de Gemeenteraad van 27 februari 2023 betreffende de aanpassing van het belastingreglement op de verspreiding van niet-geadresseerd drukwerk en gelijkgestelde producten (2021 - 2025).
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente gelet op de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht in het Meerjarenplan 2026 - 2031 te handhaven en de bijhorende financiële toestand waarbij het bestuur kiest voor een gezond financieel beleid.
Op de openbare wegen komen regelmatig papier van niet-geadresseerde drukwerken en gelijkgestelde producten terecht. De verspreiding van niet-geadresseerde drukwerken en gelijkgestelde producten leidt bovendien tot een overbodige grote verhoging van papierafval en tot bijkomende kosten voor de gemeente bij de papierophaling en/of verwerking ervan.
Het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ betekent dat de kosten voor maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging en voor het herstellen van schade voor rekening zijn van de vervuiler.
Een belasting moet effectueerbaar, rendabel en eenvoudig uitvoerbaar zijn, rekening houdende met de kosten verbonden aan de controle, vestiging en inning van de belasting. Vandaar dat de gemeente als één bedelingsgebied wordt beschouwd voor de bepaling van de belastbare grondslag.
De jaarlijkse stijging van de inflatie wordt doorgerekend in de loonkost van de administratie door het principe van automatische loonindexering bij het overschrijden van de spilindex gekoppeld aan de gezondheidsindex. De verhoging van de loonkosten zorgt ervoor dat de gemeentelijke dienstverlening duurder wordt. Het is gerechtvaardigd om de financiële tussenkomst van de belastingplichtigen aan te passen aan deze inflatiestijging. De belastingtarieven worden daarom jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
Het is redelijk en objectief gerechtvaardigd om een vrijstelling in te voeren voor de drukwerken vanwege door de gemeente erkende verenigingen, gemeentelijke adviesraden, scholen, overheden, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en politieke partijen, aangezien deze instellingen niet stelselmatig drukwerken verspreiden en deze drukwerken meestal van geringe omvang zijn. De door deze instellingen uitgegeven drukwerken houden veelal een noodzakelijk en rechtstreeks verband met hun socio-culturele aard of onderwijsfunctie, zodat zij een bepaalde taak van gemeentelijke of algemeen belang dan wel van openbaar nut vervullen.
Het is tevens redelijk en objectief gerechtvaardigd om een vrijstelling in te voeren voor enkelbladige drukwerken kleiner dan of gelijk aan A4, aangezien de financiële en ecologische impact veel minder zwaar weegt dan de verspreiding van meerbladige of grotere drukwerken.
De ontvangsten zijn ingeschreven in het Meerjarenplan 2026 - 2031 onder jaarbudgetrekening GBB/0020-00/734240/GEMEENTE/CBS/IP-GEEN.
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het belastingreglement op de verspreiding van niet-geadresseerd drukwerk en gelijkgestelde producten (2026-2031), zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 2. Dit reglement vervangt het belastingreglement op de verspreiding van niet-geadresseerd drukwerk en gelijkgestelde producten (2021-2025), zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 14 december 2020 en aangepast door de gemeenteraad op 27 februari 2023.
Bijlage: Belastingreglement op de verspreiding van niet-geadresseerd drukwerk en gelijkgestelde producten (2026-2031)
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit belastingreglement wordt verstaan onder:
Artikel 2. Toepassingsgebied
§1. De gemeente heft een indirecte belasting op het verspreiden van ongeadresseerd drukwerk en daarmee gelijkgestelde producten op het grondgebied van de gemeente Sint-Martens-Latem, ongeacht ze in brievenbussen worden gedeponeerd of op de openbare weg worden verspreid.
De belasting wordt geheven voor de aanslagjaren 2026 tot en 2031.
§2. Het belastingreglement is geldig van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 3. Belastingplichtige
§1. Belastingplichtige is diegene die als (verantwoordelijke) uitgever op het drukwerk of daarmee gelijkgesteld product staat vermeld. Wanneer de verantwoordelijke uitgever in het buitenland is gevestigd, is de belasting verschuldigd door de Belgische vestiging van de verantwoordelijke uitgever.
§2. Bij gebrek aan een (verantwoordelijke) uitgever met een Belgische vestiging of bij gebrek aan vermelding van de (verantwoordelijke) uitgever op het drukwerk of op het daarmee gelijkgestelde product, is de belasting verschuldigd door de fysieke of rechtspersoon onder wiens naam, handelsnaam, logo of embleem het drukwerk of gelijkgesteld product wordt verdeeld.
§3. Indien er geen (verantwoordelijke) uitgever staat vermeld op het drukwerk of de (verantwoordelijke) uitgever geen Belgische vestiging heeft, en ook de fysieke of rechtspersoon onder wiens naam, handelsnaam, logo of embleem het drukwerk of gelijkgesteld product wordt verdeeld niet is gekend, is de belasting verschuldigd door de opdrachtgever van de verdeler van het drukwerk of het daarmee gelijkgesteld product.
§4. Indien de belastingplichtige niet gekend is met toepassing van artikel 3§1 tot en met §3, is de verdeler van het drukwerk of daarmee gelijkgesteld product de belasting verschuldigd.
§5. In geval van overlijden van de belastingplichtige wordt ingekohierd op naam van de overleden belastingplichtige voorafgegaan door het woord ‘Nalatenschap’.
§6. In geval er meerdere belastingplichtigen wordt ingekohierd hetzij op naam van alle belastingplichtigen, hetzij op naam van een of meer van de belastingplichtigen, gevolgd door de vermelding ‘en rechthebbenden’.
Artikel 4. Hoofdelijkheid
§1. De fysieke of rechtspersoon onder wiens naam, handelsnaam, logo of embleem het drukwerk of gelijkgestelde producten worden verspreid is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting.
§2. Indien een drukwerk of gelijkgesteld product betrekking heeft op meerdere fysieke of rechtspersonen onder wiens naam, handelsnaam, logo of embleem het drukwerk of gelijkgestelde producten worden verspreid, is elk van deze fysieke of rechtspersonen hoofdelijk aansprakelijk tot betaling van de totale belastingschuld.
Artikel 5. Berekeningsgrondslag en tarief
§1. De belasting is verschuldigd op het ogenblik van de verspreiding van het drukwerk of een daarmee gelijkgesteld product.
§2. De belasting wordt berekend als volgt:
§3. Het totale grondgebied van de gemeente Sint-Martens-Latem is één bedelingsgebied. Bij de bedeling van drukwerk en daarmee gelijkgestelde producten in de gemeente, is steeds de aanslag verschuldigd voor het volledige bedelingsgebied.
Het aantal brievenbussen dat het bedelingsgebied telt, zal jaarlijks worden vastgesteld door het college van burgemeester en schepenen op basis van de gegevens van BD (Belgische Distributiedienst).
§4. Voor de belastingtarieven wordt een jaarlijkse indexering voorzien op 1 januari, die gekoppeld is aan de gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement. De belastingtarieven worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat. De formule voor berekening die hierbij wordt toegepast: [huidig tarief] x [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat] / [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement].
Artikel 6. Vrijstellingen of verminderingen
Van de belasting worden vrijgesteld:
Artikel 7. Inning en invordering
§1. De invordering gebeurt overeenkomstig de procedure voorzien in het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, invordering en geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. De bepalingen inzake de verwijl- en moratoriuminteresten zijn op deze belasting van toepassing zoals betreffende de rijksbelastingen op de inkomsten.
§2. Invorderingsdocumenten worden door de gemeente in gesloten omslag toegezonden.
Als het gemeentebestuur voor een bepaalde belasting de eBox gebruikt om digitaal een invorderingsdocument ter beschikking te stellen en als de belastingplichtige de eBox activeerde, wordt dit invorderingsdocument echter uitsluitend via de eBox aangeboden. Het activeren van de eBox geldt als een uitdrukkelijke instemming met digitale aanbieding.
De digitale aanbieding, vermeld in het tweede lid, geldt als rechtsgeldige kennisgeving van dit invorderingsdocument en brengt dezelfde rechtsgevolgen tot stand als de verzending ervan in gesloten omslag. Van zodra de eBox niet meer geactiveerd is, wordt het invorderingsdocument in kwestie door het gemeentebestuur toegezonden overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 8. Aangifteplicht
§1. De belastingplichtige moet ten laatste voor het einde van ieder kwartaal vooraf aangifte doen van elke verspreiding van de onder artikel 1 bedoelde drukwerken of gelijkgestelde producten bij het gemeentebestuur, via de gemeentelijke webapplicatie. De aangifte dient alle inlichtingen te bevatten, nodig voor het vestigen van de aanslag.
Voor het eerste kwartaal dient de aangifte te gebeuren ten laatste op 31 maart van het aanslagjaar, voor het tweede kwartaal ten laatste op 30 juni van het aanslagjaar, voor het derde kwartaal ten laatste op 30 september van het aanslagjaar en voor het vierde kwartaal ten laatste op 31 december van het aanslagjaar.
§2. Valt de uiterste indieningsdatum op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. De aangifte is laattijdig wanneer ze na de uiterste indieningsdatum is verzonden. Voor een digitale aangifte, geldt de datum van de verzending als datum van aangifte.
Artikel 9. Controle en onderzoek
De door het college van burgemeester en schepenen aangestelde personeelsleden, overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 30 mei 2008, zijn gemachtigd om vaststellingen te doen van feiten die aanleiding gaven tot het vestigen van de belasting.
Zij controleren onder andere de oprechtheid van de aangiften, met alle middelen waarvoor zij beschikken. De belastingplichtigen zijn verplicht deze controle te vergemakkelijken.
Zij zijn eveneens bevoegd elke inbreuk op het huidig reglement vast te stellen en moeten daarvoor toegang krijgen tot alle plaatsen waar de belastbare feiten plaats kunnen hebben.
Artikel 10. Ambtshalve belasting
§1. Als er een onvolledige, onjuiste of geen aangifte is gedaan voor de aangiftedatum, vermeld in artikel 8, kan de belastingplichtige ambtshalve worden belast, mits inachtneming van de in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 voorziene bepalingen.
§2. De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met 20% van de verschuldigde belasting bij een eerste overtreding. Bij volgende overtredingen zal een verhoging van 50% of 100% worden toegepast bij respectievelijk een tweede en derde overtreding. Vanaf de vierde overtreding zal de belastingverhoging 200% bedragen. Voor de vaststelling van het toe te passen percentage van de belastingverhoging worden de vorige overtredingen niet in aanmerking genomen, wanneer geen overtredingen werden vastgesteld voor de laatste vijf opeenvolgende aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarin de nieuwe overtreding wordt vastgesteld. Een correcte aangifte gedurende vijf opeenvolgende jaren herstelt aldus de goede trouw in hoofde van de belastingplichtige. Het bedrag van deze verhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd. De procedure van artikel 7§4 van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen wordt voor wat betreft de belastingverhoging, gevolgd.
§3. Voor de belasting ambtshalve wordt gevestigd, brengt het college van burgemeester en schepenen de belastingplichtige met een aangetekende brief op de hoogte van de redenen waarom ze gebruik maakt van deze procedure, de elementen waarop de belasting is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van die elementen en het bedrag van de belasting.
Als de belastingplichtige ingestemd heeft met de digitale uitwisseling van fiscale berichten, met toepassing van artikel 7, is aan het vereiste van het aangetekend schrijven, vermeld in het voorgaande lid, voldaan als bewijs geleverd kan worden van het tijdstip van de digitale verzending.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de ontvangst van de kennisgeving, vermeld in het tweede lid van dit artikel, om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen. De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van verzending van de kennisgeving. Als de kennisgeving verzonden werd via digitale weg, geldt de datum van de verzending als datum van de kennisgeving.
Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om digitale berichten uit te wisselen, zoals de eBox, wordt de kennisgeving geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop de kennisgeving voor de belastingplichtige toegankelijk wordt.
Artikel 11. Bezwaren
§1. Op grond van het Decreet van 30 mei 2008 en volgens de daar beschreven voorwaarden kan tegen deze belasting een bezwaar ingediend worden bij het college van burgemeester en schepenen.
Het Decreet van 30 mei 2008 bepaalt dat het bezwaar schriftelijk moet worden ingediend, en ondertekend en gemotiveerd moet zijn. Het bezwaar moet worden ingediend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger.
Het bezwaarschrift wordt op straffe van verval ingediend binnen drie maanden vanaf de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet heeft ontvangen of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet digitaal verzonden werd, geldt de datum van verzending als datum van zijn verzending.
Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om digitale berichten uit te wisselen, zoals de eBox, wordt het aanslagbiljet geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop het aanslagbiljet voor de belastingplichtige toegankelijk wordt.
§2. Het bezwaarschrift moet ofwel schriftelijk ingediend worden (aangetekend of tegen ontvangstbewijs) ofwel digitaal op volgend e-mailadres: belastingen@sint-martens-latem.be . Het moet de naam, de hoedanigheid en het adres of de zetel van de belastingplichtige vermelden. Het moet ook het voorwerp van het bezwaarschrift en de motivatie samen met een opgave van de feiten en de middelen vermelden. Als de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger wil uitgenodigd worden op de hoorzitting moet dit in het bezwaarschrift worden gevraagd.
Artikel 12. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het belastingreglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 § 1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Gecoördineerde Grondwet van België van 17 februari 1994, artikelen 41, 162, 2° en 170 § 4.
Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikelen 2, 40 §3, artikel 41, 14° en 56 §3 7°.
Wetboek van de inkomstenbelasting van 10 april 1992.
Wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikels 286 t.e.m. 288 en 326 t.e.m. 341
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register.
Omzendbrief BB 2008/07 van 18 juli 2008 aangaande het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019.
Besluit van de Gemeenteraad van 15 december 2025 betreffende het retributiereglement ter invordering van fiscale ontvangsten bij de gemeente (2026-2031).
Besluit van de gemeenteraad van 16 december 2019 betreffende de goedkeuring van het belastingreglement op het aanvragen van een omgevingsvergunning of omgevingsmelding en het op papier ter beschikking stellen van vergunningsbeslissingen.
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente gelet op de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht in het Meerjarenplan 2026 - 2031 te handhaven en de bijhorende financiële toestand waarbij het bestuur kiest voor een gezond financieel beleid.
Bij het (her)bouwen, verbouwen en uitbreiden van constructies in de gemeente, wordt intensief gebruik gemaakt van het openbaar wegennetwerk voor het af- en aanvoeren van bouwmateriaal. Dit leidt tot schade aan de wegen die de gemeente moet (laten) herstellen. Het is dan ook gerechtvaardigd de aanvrager van de omgevingsvergunning een bijdrage te vragen voor de gemeentelijke inzet van middelen voor de aanleg, herstellingen en onderhoud van de openbare wegen.
De gemeenteraad vindt het hierbij billijk rekening te houden met de financiële draagkracht van de aanvrager van een omgevingsvergunning zoals die blijkt uit het volume van de aangevraagde nieuwbouw of verbouwing. Bovendien is er een directe link te leggen tussen de grootte van het volume en de intensiteit waarmee het openbaar wegennetwerk hiervoor wordt gebruikt. Omdat het bouwen van ondergrondse bouwlagen (zwembad, kelder) een grote impact heeft op de omgeving (o.m. door bronbemaling), wordt een apart hoog tarief voorzien op het volume van deze bouwlagen.
De jaarlijkse stijging van de inflatie wordt doorgerekend in de loonkost van de administratie door het principe van automatische loonindexering bij het overschrijden van de spilindex gekoppeld aan de gezondheidsindex. De verhoging van de loonkosten zorgt ervoor dat de gemeentelijke dienstverlening duurder wordt. Het is gerechtvaardigd om de financiële tussenkomst van de belastingplichtigen aan te passen aan deze inflatiestijging. De belastingtarieven worden daarom jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
De in het reglement opgenomen vrijstelling voor openbare instellingen, maatwerkbedrijven en sociale huisvesting is te verantwoorden gezien het maatschappelijk nut van deze instellingen en het feit dat zij zonder winstbejag een doel van menslievendheid of maatschappelijk nut nastreven.
De ontvangsten zijn ingeschreven in het Meerjarenplan 2026 - 2031 onder jaarbudgetrekening GBB/0020-00/737000/GEMEENTE/CBS/IP-GEEN.
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het belastingreglement op het (her)bouwen, verbouwen en uitbreiden van constructies (2026 - 2031), zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 2. Dit reglement vervangt het belastingreglement op het aanvragen van een omgevingsvergunning of omgevingsmelding en het op papier ter beschikking stellen van vergunningsbeslissingen., zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 16 december 2019.
Bijlage: Belastingreglement op het (her)bouwen, verbouwen en uitbreiden van constructies (2026 - 2031)
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit belastingreglement wordt verstaan onder:
1. Bouwen: de hiernavolgende vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen verrichten:
2. Bouwvolume: het bruto-bouwvolume van een constructie en haar fysisch aansluitende aanhorigheden die in bouwtechnisch opzicht een rechtstreekse aansluiting of steun vinden bij het hoofdgebouw, zoals een aangebouwde garage, veranda of berging, gemeten met inbegrip van buitenmuren en dak, en met uitsluiting van het volume van de gebruikelijke onderkeldering onder het maaiveld.
3. Semipublieke rechtspersoon: een rechtspersoon die voldoet aan volgende voorwaarden:
4. Tijdelijke inrichtingen en activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen en activiteiten die op tijdelijke basis, gedurende maximaal één jaar als ze verband houden met een bouwwerf of maximaal drie maanden in de overige gevallen, worden ingezet en waarvan de exploitatie geen blijvende gevolgen heeft voor de mens en het milieu.
Artikel 2. Toepassingsgebied
§1. De gemeente heft een indirecte belasting op het (her)bouwen, verbouwen en uitbreiden van constructies.
De belasting wordt geheven voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031.
§2. Het belastingreglement is geldig van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 3. Belastingplichtige
§1. Belastingplichtige is diegene die de aanvraag doet voor het (her)bouwen, verbouwen of uitbreiden, hetzij een natuurlijk persoon, hetzij een rechtspersoon, zoals gekend in het omgevingsloket.
§2. In geval van overlijden van de belastingplichtige wordt ingekohierd op naam van de overleden belastingplichtige voorafgegaan door het woord ‘Nalatenschap’.
§3. Indien een aanvraag betrekking heeft op meerdere natuurlijke of rechtspersonen wordt ingekohierd hetzij op naam van alle belastingplichtigen, hetzij op naam van een of meer van de belastingplichtigen, gevolgd door de vermelding ‘en rechthebbenden’.
Artikel 4. Hoofdelijkheid
§1. De natuurlijke of rechtspersoon die de aanvraag tot (her)bouwen, verbouwen of uitbreiden indient, is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting.
§2. Indien een aanvraag betrekking heeft op meerdere natuurlijke of rechtspersonen, is elk van deze natuurlijke of rechtspersonen hoofdelijk aansprakelijk tot betaling van de totale belastingschuld.
Artikel 5. Berekeningsgrondslag en tarief
§1. De belasting is verschuldigd indien een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen verleend wordt.
§2. De belasting wordt berekend als volgt:
In deze gebouwen moet meer dan 50% van de oppervlakte voor huisvesting dienen. In voorkomend geval kunnen zij lokalen bevatten ingericht voor de uitoefening van een andere hoofdfunctie. Hieronder valt ook het verbouwen en uitbreiden dat leidt tot vermeerdering van het aantal woongelegenheden. Voor al het gebouwde of herbouwde volume zoals voorzien in de omgevingsvergunning exclusief ondergrondse bouwlagen:
In voorkomend geval kunnen zij woongelegenheden bevatten voor personen die in deze gebouwen een beroep uitoefenen. Hieronder valt ook het verbouwen waarbij de woonfunctie wordt gewijzigd naar een andere hoofdfunctie. Voor al het gebouwde of herbouwde volume zoals voorzien in de omgevingsvergunning exclusief ondergrondse bouwlagen:
Voor al het gebouwde of herbouwde volume zoals voorzien in de omgevingsvergunning exclusief ondergrondse bouwlagen:
Voor al het gebouwde of herbouwde volume zoals voorzien in de omgevingsvergunning:
§2. De constructies worden alleen belast voor het gedeelte dat zich op het grondgebied van de gemeente bevindt.
§3. Voor de belastingtarieven wordt een jaarlijkse indexering voorzien op 1 januari, die gekoppeld is aan de gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement. De belastingtarieven worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat. De formule voor berekening die hierbij wordt toegepast: [huidig tarief] x [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat] / [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement].
Na indexering rondt de gemeente het tarief van de belasting af naar het dichtstbijzijnde veelvoud van tien cent.
Artikel 6. Vrijstellingen of verminderingen
Van de belasting worden vrijgesteld:
Artikel 7. Inning en invordering
§1. De inning en invordering gebeurt overeenkomstig de procedure voorzien in het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, invordering en geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. De bepalingen inzake de verwijl- en moratoriuminteresten zijn op deze belasting van toepassing zoals betreffende de rijksbelastingen op de inkomsten.
§2. Invorderingsdocumenten worden door de gemeente in gesloten omslag toegezonden.
Als het gemeentebestuur voor een bepaalde belasting de eBox gebruikt om digitaal een invorderingsdocument ter beschikking te stellen en als de belastingplichtige de eBox activeerde, wordt dit invorderingsdocument echter uitsluitend via de eBox aangeboden. Het activeren van de eBox geldt als een uitdrukkelijke instemming met digitale aanbieding.
De digitale aanbieding, vermeld in het tweede lid, geldt als rechtsgeldige kennisgeving van dit invorderingsdocument en brengt dezelfde rechtsgevolgen tot stand als de verzending ervan in gesloten omslag. Van zodra de eBox niet meer geactiveerd is, wordt het invorderingsdocument in kwestie door het gemeentebestuur toegezonden overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 8. Bezwaren
§1. Op grond van het Decreet van 30 mei 2008 en volgens de daar beschreven voorwaarden kan tegen deze belasting een bezwaar ingediend worden bij het college van burgemeester en schepenen.
Het Decreet van 30 mei 2008 bepaalt dat het bezwaar schriftelijk moet worden ingediend, en ondertekend en gemotiveerd moet zijn. Het bezwaar moet worden ingediend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger.
Het bezwaarschrift wordt op straffe van verval ingediend binnen drie maanden vanaf de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet heeft ontvangen of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet digitaal verzonden werd, geldt de datum van verzending als datum van zijn verzending.
Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om digitale berichten uit te wisselen, zoals de eBox, wordt het aanslagbiljet geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop het aanslagbiljet voor de belastingplichtige toegankelijk wordt.
§2. Het bezwaarschrift moet ofwel schriftelijk ingediend worden (aangetekend of tegen ontvangstbewijs) ofwel digitaal op volgend e-mailadres: belastingen@sint-martens-latem.be . Het moet de naam, de hoedanigheid en het adres of de zetel van de belastingplichtige vermelden. Het moet ook het voorwerp van het bezwaarschrift en de motivatie samen met een opgave van de feiten en de middelen vermelden. Als de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger wil uitgenodigd worden op de hoorzitting moet dit in het bezwaarschrift worden gevraagd.
Artikel 9. Bekendmaking
Het belastingreglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 § 1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, artikelen 41, 162, 2°, 170 § 4.
Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikelen 2, 40 §3, 41,14° en 56 §3 7°.
Wetboek van de inkomstenbelasting van 10 april 1992.
Wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 1 mei 2019.
Uitvoeringsbesluit van het Wetboek van inkomstenbelastingen, in het bijzonder de artikelen 126 tot 175.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikelen 252, 285 t.e.m. 288, 300 en 326 t.e.m. 341.
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register.
Omzendbrief BB 2008/07 van 18 juli 2008 aangaande het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019.
Besluit van de Gemeenteraad van 15 december 2025 betreffende het retributiereglement ter invordering van fiscale ontvangsten bij de gemeente (2026-2031).
Besluit van de gemeenteraad van 16 december 2019 betreffende de goedkeuring van het reglement algemene gemeentebelasting op economische bedrijvigheden 2020 - 2025.
Besluit van de gemeenteraad van 7 september 2020 betreffende de aanpassing van het reglement algemene gemeentebelasting op economische bedrijvigheden 2020 - 2025.
Besluit van de gemeenteraad van 11 oktober 2021 betreffende de aanpassing van het reglement algemene gemeentebelasting op economische bedrijvigheden 2020 - 2025.
De algemene gemeentebelasting op de economische bedrijvigheden, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 16 december 2019, zoals gewijzigd op 7 september 2020 en 11 oktober 2021, vervalt op 31 december 2025. De algemene gemeentebelasting op de economische bedrijvigheden moet worden hernieuwd voor de aanslagjaren 2026 t.e.m. 2031.
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente gelet op de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht in het Meerjarenplan 2026 - 2031 te handhaven en de bijhorende financiële toestand waarbij het bestuur kiest voor een gezond financieel beleid.
Het is redelijk dat alle ingezetenen, inclusief de bedrijven, bijdragen tot de financiële behoeften van de gemeenten. Naast de gezinnen genieten immers ook de economische entiteiten van de gemeentelijke dienstverlening. In tegenstelling tot de economische activiteiten van de zelfstandigen en de privaatrechtelijke rechtspersonen met winstoogmerk dragen de gezinnen bij tot de gemeentelijke financiën via de aanvullende personenbelasting.
De economische waarde (nl. de verhuurprijs) van bedrijfsvestigingen is verschillend naargelang de bestemming en het gebruik. Het is dan ook redelijk, in functie van het gelijkheidsbeginsel, daarom een onderscheid te maken naargelang de economische draagkracht.
De bestemming van een bedrijfsgebouw is bepalend voor het beslag dat gelegd wordt op de publieke ruimte en die inrichting van het openbaar domein, in het bijzonder voor wat betreft het parkeren. Dit gebruik van het openbaar wegennetwerk leidt tot schade aan de wegen die de gemeente moet (laten) herstellen. Het is dan ook gerechtvaardigd de economische entiteiten een bijdrage te vragen voor de gemeentelijke inzet van middelen voor de aanleg, herstellingen en onderhoud van de openbare wegen. Het is daarom redelijk en billijk hiermee rekening te houden bij het bepalen van de aanslagvoet.
Het belastingtarief is samengesteld uit een basistarief en een aanvullend tarief. De belasting kan worden berekend op basis van de oppervlakte van de vestiging, die de bedrijven en/of natuurlijke personen voor hun uitbatingen gebruiken of tot gebruik voorbehouden of die bijdraagt tot de realisatie van de beroeps- of bedrijfsdoeleinden. Voor de inrichting met barpersoneel, rendez-vous huizen en inrichtingen waarvan de toegang voorbehouden is aan personen die zich onderwerpen aan zekere formaliteiten is voorzien in een afzonderlijk tarief per inrichting per jaar.
De belasting beoogt belastingplichtige met verschillende toestanden. Die verscheidenheid moet noodzakelijkerwijs worden opgevangen in vereenvoudigde categorieën. Er kan niet voor alle mogelijke soorten bedrijven (elk met hun eigen en meest uiteenlopende kenmerken) worden voorzien in een specifieke belastingregeling.
De belastbare oppervlakte voor de berekeningsgrondslag van de belasting is een pertinent criterium gezien de belastbare oppervlakte van een bedrijfsvestiging in verhouding staat tot de dienstverlening op het grondgebied van de gemeente en de mate waarin van een dienstverlening kan worden genoten.
De verschillen inzake financiële draagkracht en/of economische rentabiliteit maken redelijk verantwoorde differentiatiecriteria uit voor de toepassing van het belastingreglement en het verschil in tarifering. Agrarische bedrijven hebben uit hun aard een veel groter bebouwd en onbebouwd areaal nodig om een leefbaar bedrijf te kunnen uitbaten dan andere bedrijven.
De jaarlijkse stijging van de inflatie wordt doorgerekend in de loonkost van de administratie door het principe van automatische loonindexering bij het overschrijden van de spilindex gekoppeld aan de gezondheidsindex. De verhoging van de loonkosten zorgt ervoor dat de gemeentelijke dienstverlening duurder wordt. Het is gerechtvaardigd om de financiële tussenkomst van de belastingplichtigen aan te passen aan deze inflatiestijging. De belastingtarieven worden daarom jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
De ontvangsten zijn ingeschreven in het Meerjarenplan 2026 - 2031 onder jaarbudgetrekening GBB/0020-00/730000/GEMEENTE/CBS/IP-GEEN.
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het reglement op algemene gemeentebelasting op economische bedrijvigheden (2026 - 2031), zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 2. Dit reglement vervangt het reglement op algemene gemeentebelasting op economische bedrijvigheden (2020-2025), zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 16 december 2019 en gewijzigd door de gemeenteraden op 7 september 2020 en 11 oktober 2021.
Bijlage: Reglement op algemene gemeentebelasting op economische bedrijvigheden (2020-2025)
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit belastingreglement wordt verstaan onder:
Artikel 2. Toepassingsgebied
§1. De gemeente heft een directe belasting op economische bedrijvigheden. De belasting wordt geheven voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031.
§2. Het belastingreglement is geldig van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 3. Belastingplichtige
§1. Belastingplichtige is de zelfstandige en de privaatrechtelijke rechtspersoon met winstoogmerk die op 1 januari van het aanslagjaar op het grondgebied van de gemeente Sint-Martens-Latem één of meerdere vestigingen gebruikt of tot gebruik voorbehouden.
Zelfstandigen en privaatrechtelijke rechtspersonen met winstoogmerk van wie werkzaamheden in de gemeente Sint-Martens-Latem zijn gelokaliseerd/plaatshebben, behoren tot de belastingplichtigen.
Een zelfstandige of een privaatrechtelijke rechtspersoon met winstoogmerk van wie de werkzaamheden uitsluitend een ambulant karakter hebben, heeft een belastbare vestiging op het adres van zijn/haar in de gemeente Sint-Martens-Latem gelegen verblijfplaats (waar in het kader van de werkzaamheden de opslag van goederen of materiaal, de voorbereiding, de planning, de organisatie, de administratieve ondersteuning of het beheer in de ruimste zin gebeurt of kan plaatsvinden) of maatschappelijke zetel.
Zowel rechtspersonen die vallen onder het toepassingsgebied van de vennootschapsbelasting als rechtspersonen die een winstoogmerk hebben, maar niet onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, worden meegerekend tot de privaatrechtelijke rechtspersonen met winstoogmerk bedoeld in artikel 1.
De rechtspersonen bedoeld in de artikelen 180, 181 en 182 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, worden niet meegerekend tot de privaatrechtelijke rechtspersoon met winstoogmerk bedoeld in artikel 1.
§2. De toestand op 1 januari van het aanslagjaar is bepalend voor de belastingplicht en de belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het gehele jaar. Een stopzetting of vermindering van de werkzaamheden in de loop van het aanslagjaar, evenals een vermindering van de belastbare oppervlakte of de sluiting van een vestiging tijdens dezelfde periode, geven geen aanleiding tot enige belastingvermindering.
§3. Indien bewezen wordt dat op 1 januari van het aanslagjaar alle werkzaamheden – met inbegrip van eventuele vereffeningsverrichtingen – volledig en definitief zijn stopgezet, gaat de hoedanigheid van belastingplichtige verloren.
§4. In geval van overlijden van de belastingplichtige wordt ingekohierd op naam van de overleden belastingplichtige voorafgegaan door het woord ‘Nalatenschap’.
§5. In geval er meerdere belastingplichtigen zijn, wordt ingekohierd hetzij op naam van alle belastingplichtigen, hetzij op naam van een of meer van de belastingplichtigen, gevolgd door de vermelding ‘en rechthebbenden’.
Artikel 4. Berekeningsgrondslag en tarief
§1. De belasting wordt berekend als volgt:
§2. Het belastingtarief is als volgt samengesteld:
§3. Een fractie van één m² wordt als een eenheid beschouwd.
§4. Voor het belastingtarief wordt een jaarlijkse indexering voorzien op 1 januari, die gekoppeld is aan de gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement. Het belastingtarief wordt jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat. De formule voor berekening die hierbij wordt toegepast: [huidig tarief] x [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat] / [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement].
Na indexering rondt de gemeente het tarief van de belasting af op het dichtstbijzijnde veelvoud van euro voor tarieven A, B en D, en naar het dichtstbijzijnde veelvoud van tien cent voor tarief E.
Artikel 5. Vrijstellingen of verminderingen
Van de aanvullende belasting worden vrijgesteld:
Artikel 6. Inning en invordering
§1. De inning en invordering gebeurt overeenkomstig de procedure voorzien in het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, invordering en geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. De bepalingen inzake de verwijl- en moratoriuminteresten zijn op deze belasting van toepassing zoals betreffende de rijksbelastingen op de inkomsten.
§2. Invorderingsdocumenten worden door de gemeente in gesloten omslag toegezonden.
Als het gemeentebestuur voor een bepaalde belasting de eBox gebruikt om digitaal een invorderingsdocument ter beschikking te stellen en als de belastingplichtige de eBox activeerde, wordt dit invorderingsdocument echter uitsluitend via de eBox aangeboden. Het activeren van de eBox geldt als een uitdrukkelijke instemming met digitale aanbieding.
De digitale aanbieding, vermeld in het tweede lid, geldt als rechtsgeldige kennisgeving van dit invorderingsdocument en brengt dezelfde rechtsgevolgen tot stand als de verzending ervan in gesloten omslag. Van zodra de eBox niet meer geactiveerd is, wordt het invorderingsdocument in kwestie door het gemeentebestuur toegezonden overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 7. Aangifteplicht
§1. De belastingplichtige moet jaarlijks en ten laatste op 30 april van het aanslagjaar een aangifte indienen, per vestiging, bij het gemeentebestuur via de gemeentelijke webapplicatie of op het papieren aangifteformulier dat ter beschikking wordt gesteld door het gemeentebestuur. Een belastingplichtige die géén aangifteformulier gekregen heeft, moet spontaan een aangifteformulier aanvragen én indienen bij de gemeente tegen laatste 30 april van het aanslagjaar.
§2. Valt de uiterste indieningsdatum op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. De aangifte is laattijdig wanneer ze na de uiterste indieningsdatum is gepost of wanneer ze na de laatste nuttige dag wordt afgegeven tegen ontvangstbewijs. Als de aangifte digitaal verzonden wordt, geldt de datum van de verzending als datum van aangifte.
§3. Aan de belastingplichtige kan een ‘voorstel van aangifte’ verstuurd worden. De titel van dit document omschrijft duidelijk dat het om een ‘voorstel van aangifte’ gaat. Als de gegevens op dit voorstel onjuist of onvolledig zijn of niet overeenstemmen met de belastbare toestand op 1 januari van het aanslagjaar, moet de belastingplichtige ten laatste op 30 april van het aanslagjaar, het voorstel verbeterd en vervolledigd terugsturen. Het tijdig teruggezonden en gecorrigeerde of aangevulde voorstel van aangifte, geldt in dat geval als aangifte.
Als de gegevens op dit voorstel overeenstemmen met de belastbare toestand op 1 januari van het aanslagjaar, is de belastingplichtige niet verplicht dit formulier tegen de voormelde indieningsdatum terug te sturen. In dat geval is automatisch aan de aangifteplicht voldaan en wordt de belasting gevestigd op basis van de gegevens vermeld op het toegestuurde ‘voorstel van aangifte’.
Artikel 8. Melding
Elke privaatrechtelijke rechtspersoon met winstoogmerk of zelfstandige die op het grondgebied van Sint-Martens-Latem:
moet binnen de maand, uit eigen beweging, het gemeentebestuur hiervan schriftelijk in kennis stellen en de nodige bewijzen bijvoegen.
Artikel 9. Controle en onderzoek
De door het college van burgemeester en schepenen aangestelde personeelsleden, overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 30 mei 2008, zijn gemachtigd om vaststellingen te doen van feiten die aanleiding gaven tot het vestigen van de belasting.
Zij controleren onder andere de oprechtheid van de aangiften, met alle middelen waarvoor zij beschikken. De belastingplichtigen zijn verplicht deze controle te vergemakkelijken.
Zij zijn eveneens bevoegd elke inbreuk op het huidig reglement vast te stellen en moeten daarvoor toegang krijgen tot alle plaatsen waar de belastbare feiten plaats kunnen hebben.
Artikel 10. Ambtshalve belasting
§1. Als er een onvolledige, onjuiste of geen aangifte is gedaan voor de aangiftedatum, vermeld in artikel 8, kan de belastingplichtige ambtshalve worden belast, mits inachtneming van de in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 voorzien bepalingen.
§2. Voor de belasting ambtshalve wordt gevestigd, brengt het college van burgemeester en schepenen de belastingplichtige met een aangetekende brief op de hoogte van de redenen waarom ze gebruik maakt van deze procedure, de elementen waarop de belasting is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van die elementen en het bedrag van de belasting.
Als de belastingplichtige ingestemd heeft met de digitale uitwisseling van fiscale berichten, met toepassing van artikel 7, is aan het vereiste van het aangetekend schrijven, vermeld in het voorgaande lid, voldaan als bewijs geleverd kan worden van het tijdstip van de digitale verzending.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de ontvangst van de kennisgeving, vermeld in het tweede lid van dit artikel, om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen. De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van verzending van de kennisgeving. Als de kennisgeving verzonden werd via digitale weg, geldt de datum van de verzending als datum van de kennisgeving.
Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om digitale berichten uit te wisselen, zoals de eBox, wordt de kennisgeving geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop de kennisgeving voor de belastingplichtige toegankelijk wordt.
§3. De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met 25%. In geen geval mag het verhoogd recht het dubbele van de verschuldigde belasting overschrijden. Beide bedragen worden gezamenlijk ingekohierd. De procedure van artikel 7 §4 van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen wordt voor wat betreft de belastingverhoging, gevolgd.
Artikel 11. Administratieve geldboete
§1. Een administratieve geldboete van 250 euro wordt opgelegd in volgende gevallen:
Deze boetes zijn cumuleerbaar.
§2. Het bedrag van de administratieve geldboete wordt een jaarlijkse indexering voorzien op 1 januari, die gekoppeld is aan de consumptieprijsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement. De administratieve boete wordt jaarlijks aangepast aan de consumptieprijsindex van de maand november die aan de aanpassing voorafgaat. De formule voor berekening die hierbij wordt toegepast: [huidig tarief] x [consumptieprijsindex (2013 = 100) van de maand november die aan de aanpassing voorafgaat] / [consumptieprijsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement].
Na indexering rondt de gemeente de administratieve geldboete af naar het dichtstbijzijnde veelvoud van euro.
§3. De administratieve boete wordt gelijktijdig en samen met de belasting ingekohierd en ingevorderd.
Artikel 12. Bezwaren
§1. Op grond van het Decreet van 30 mei 2008 en volgens de daar beschreven voorwaarden kan tegen deze belasting en administratieve geldboete een bezwaar ingediend worden bij het college van burgemeester en schepenen.
Het Decreet van 30 mei 2008 bepaalt dat het bezwaar schriftelijk moet worden ingediend, en ondertekend en gemotiveerd moet zijn. Het bezwaar moet worden ingediend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger.
Het bezwaarschrift wordt op straffe van verval ingediend binnen drie maanden vanaf de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet heeft ontvangen of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet digitaal verzonden werd, geldt de datum van verzending als datum van zijn verzending.
Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om digitale berichten uit te wisselen, zoals de eBox, wordt het aanslagbiljet geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop het aanslagbiljet voor de belastingplichtige toegankelijk wordt.
§2. Het bezwaarschrift moet ofwel schriftelijk ingediend worden (aangetekend of tegen ontvangstbewijs) ofwel digitaal op volgend e-mailadres: belastingen@sint-martens-latem.be . Het moet de naam, de hoedanigheid en het adres of de zetel van de belastingplichtige vermelden. Het moet ook het voorwerp van het bezwaarschrift en de motivatie samen met een opgave van de feiten en de middelen vermelden. Als de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger wil uitgenodigd worden op de hoorzitting moet dit in het bezwaarschrift worden gevraagd.
Artikel 13. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het belastingreglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 § 1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Gecoördineerde Grondwet van België van 17 februari 1994, artikels 41, 162, 2°, 170 § 4 , 172 en 173.
Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikel 40 §1 en §3, en artikel 41, 14°.
Decreet van 19 april 1995 betreffende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikels 286 t.e.m. 288 en 326 t.e.m. 341.
Decreet van 17 juli 2020 betreffende de Vlaamse Codex Wonen.
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register
Besluit van de Vlaamse regering van 11 september 2020 tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen.
Besluit van de gemeenteraad van 16 september 2019 betreffende de deelname aan de interlokale vereniging 'Wonen Leie & Schelde' en goedkeuring statuten.
Besluit van de gemeenteraad van 14 december 2020 betreffende de goedkeuring van het reglement voor de opmaak en het beheer van het leegstandsregister.
Besluit van de gemeenteraad van 15 september 2025 betreffende de deelname aan de interlokale vereniging 'Wonen Leie & Schelde', goedkeuring subsidiedossier 2026-2031 en goedkeuring statuten.
Om de problematiek van leegstand in de regio beter te coördineren is de gemeente in 2019 toegetreden tot de interlokale vereniging ‘Wonen Leie & Schelde’ met werkingsgebied Nazareth-De Pinte, Merelbeke-Melle, Gavere, Destelbergen en Sint-Martens-Latem. Om bovengemeentelijke afstemming te bekomen, werd afgesproken om zowel het reglement voor de opmaak en het beheer van het leegstandsregister als het toepasselijk belastingreglement op de leegstand van woningen en gebouwen te hernieuwen na onderlinge afstemming.
Leegstaande woningen en gebouwen zorgen op diverse manieren voor overlast. Leegstand is veelal een voorbode van verwaarlozing en verkrotting. Langdurige leegstand zal dan ook meer lasten voor de lokale overheid met zich meebrengen onder de vorm van grotere politionele inzet, bestrijden van sluikstorten, overlast, nemen van maatregelen om de aantrekkelijkheid van de gemeente te behouden of te verbeteren.
Daarnaast zijn leegstaande woningen niet beschikbaar voor de huizenmarkt. Er is reeds een tekort op de huizenmarkt, waardoor de huur- en verkoopprijzen hoog blijven. Tevens blijkt dat een grote groep mensen in de onmogelijkheid is om een betaalbare woning te vinden. Leegstand vormt ook een van de meest hinderlijke elementen in het straatbeeld van een handels- en of dorpskern en omliggende straten. Het beïnvloedt op negatieve wijze de aantrekkelijkheid van een gemeente doordat een desolate indruk wordt gecreëerd. Leegstand bij gebouwen veroorzaakt bovendien een sneeuwbaleffect waardoor de handelsfunctie in bepaalde buurten verzwakt.
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het reglement voor de opmaak en het beheer van het leegstandsregister, zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 2. Dit reglement vervangt het reglement reglement voor de opmaak en het beheer van het leegstandsregister, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 14 december 2020.
Bijlage: Reglement voor de opmaak en het beheer van het leegstandsregister
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit reglement gelden onder meer de begripsomschrijvingen van het artikel 1.3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
In dit reglement wordt verstaan onder:
Administratie: de intergemeentelijke administratieve eenheid die door het gemeentebestuur wordt belast met de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het leegstandsregister. Conform artikel 2.9, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 draagt de gemeente de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het leegstandsregister over aan ‘ILV Wonen Leie & Schelde’. ILV Wonen Leie & Schelde fungeert als intergemeentelijk samenwerkingsverband en voert alle taken uit voor de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het leegstandsregister.
Beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen
Beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
Gebouw: elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2,1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, zoals vermeld artikel 1.3, §1, 14° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Leegstaand gebouw: gebouw waarvan meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte niet overeenkomstig de functie van het gebouw wordt aangewend gedurende een periode van ten minste twaalf opeenvolgende maanden. Hierbij wordt geen rekening gehouden met woningen die deel uitmaken van het gebouw.
De functie van het gebouw is deze die overeenkomt met een voor het gebouw of voor gedeelten daarvan uitgereikte omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Bij een gebouw waarvoor geen vergunning of melding voorhanden is of waarvan de functie niet duidelijk uit een vergunning of melding blijkt, wordt deze functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van het gebouw voorafgaand aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden.
Een gebouw dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt niet beschouwd als leegstaand zolang de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit een gedeelte van het gebouw bewoont en dat gedeelte niet afsplitsbaar is. Een gedeelte is afsplitsbaar indien het na sloping van de overige gedeelten kan worden beschouwd als een afzonderlijke woning die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Woning: elk onroerend goed of gedeelte ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande, zoals vermeld artikel 1.3, §1, 66° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Het onroerend goed of gedeelte ervan dient stedenbouwkundig vergund of vergund geacht te zijn met als hoofdfunctie wonen.
Leegstaande woning: woning die gedurende een periode van ten minste 12 opeenvolgende maanden niet aangewend wordt in overeenstemming met de woonfunctie die blijkt uit een omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning die voor die woning is uitgereikt. Bij een woning waarvoor er geen vergunning of melding is, of waarvan de functie niet duidelijk blijkt uit een vergunning of melding, wordt de functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van de woning dat voorafging aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden.
Leegstandsregister: het gemeentelijk register van leegstaande woningen en gebouwen zoals bedoeld in artikel 2 van dit reglement.
Opnamedatum: de datum waarop het gebouw of de woning in het leegstandsregister wordt opgenomen.
Zakelijk gerechtigde: de houder van één van de volgende zakelijke rechten: de volle eigendom; in voorkomend geval, het recht van opstal of van erfpacht; in voorkomend geval, het vruchtgebruik.
Artikel 2. Leegstandsregister
§1. De administratie houdt een register bij van leegstaande woningen en gebouwen.
§2. In het leegstandsregister worden de volgende gegevens opgenomen:
§3. Een woning die ongeschikt en onbewoonbaar is verklaard kan niet worden opgenomen in het leegstandsregister.
§4. Een woning die of een gebouw dat opgenomen is in het verwaarlozingsregister, kan eveneens worden opgenomen in het leegstandsregister, en omgekeerd.
Artikel 3. Registratie van leegstand
§1. De ambtenaren van het ILV Wonen Leie & Schelde zijn door het college van burgemeester en schepenen gemachtigd voor de opsporing, registratie en schrapping van leegstaande woningen of gebouwen. Hierna genoemd de administratie.
§2. Een leegstaand gebouw of een leegstaande woning wordt opgenomen in het leegstandsregister aan de hand van een genummerde administratieve akte, waarbij één of meerdere foto’s en een beschrijvend verslag, met vermelding van de indicaties die de leegstand staven, gevoegd worden. De datum van de administratieve akte geldt als de datum van de vaststelling van de leegstand en geldt als opnamedatum.
§3. De leegstand wordt beoordeeld op basis van één of meerdere objectieve indicaties zoals vermeld in de volgende, niet-limitatieve lijst:
Onmogelijkheid om de woning te bewonen of gebouw te gebruiken, door:
Uitwendige indicaties van leegstand, zoals:
Inwendige indicaties van leegstand, zoals:
Andere:
Artikel 4. Kennisgeving van registratie
§1. De zakelijk gerechtigde(n) wordt per beveiligde zending in kennis gesteld van de beslissing tot opname in het leegstandsregister. De kennisgeving bevat:
§2. De beveiligde zending wordt gericht aan de woonplaats van de zakelijk gerechtigde. Is de woonplaats niet gekend, dan wordt de beveiligde zending gericht aan zijn verblijfplaats. Is de verblijfplaats niet gekend dan vindt de betekening aan het adres van de woning of het gebouw waarop de administratieve akte betrekking heeft.
Artikel 5. Beroep tegen registratie
§1. Binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de derde werkdag na deze van de betekening van het schrijven, vermeld in artikel 4, kan een zakelijk gerechtigde bij de beroepsinstantie beroep aantekenen tegen de beslissing tot opname in het leegstandsregister. Het beroep wordt per beveiligde zending betekend of tegen ontvangstbevestiging gestuurd naar leegstand@wonenleieschelde.be. Het beroepschrift dient minimaal volgende gegevens bevatten:
Als datum van het beroepschrift wordt de datum van de beveiligde zending gehanteerd.
Als het beroepschrift ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de zakelijk gerechtigde, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
§2. Zolang de indieningstermijn van dertig dagen niet verstreken is, kan een vervangend beroepschrift ingediend worden, waarbij het eerdere beroepschrift als ingetrokken wordt beschouwd.
§3. Aan de indiener van een beroepschrift wordt een ontvangstbevestiging verstuurd.
§4. Het beroepschrift is alleen onontvankelijk als:
§5. Als het beroepschrift onontvankelijk is, deelt de beroepsinstantie dit onverwijld mee aan de indiener. Het indienen van een aangepast of nieuw beroep is mogelijk zolang de beroepstermijn van §1 niet verstreken is.
§6. De beroepsinstantie onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften.
Het beroep wordt geacht ongegrond te zijn als de toegang tot een gebouw of een woning geweigerd of verhinderd wordt voor een feitenonderzoek.
§7. De beroepsinstantie doet uitspraak over het beroep en betekent zijn beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de derde werkdag na betekening van het beroepschrift. De uitspraak wordt per beveiligde zending betekend.
§8. Als de beslissing tot opname in het leegstandsregister niet tijdig betwist wordt, of het beroep van de zakelijk gerechtigde onontvankelijk of ongegrond verklaard wordt, neemt de administratie het gebouw of de woning in het leegstandsregister op vanaf de administratieve akte van de leegstand.
§9. Tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen over het beroep tegen de registratie kan binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van die beslissing een hoger beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg. Als het college geen uitspraak doet over het beroep, of zijn uitspraak niet betekent binnen de termijn vermeld in §7, is een beroep bij de rechtbank van eerste aanleg mogelijk ten vroegste zes maanden na de datum van ontvangst van het beroep bij de gemeente. Artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
Artikel 6. Schrapping uit het leegstandsregister
§1. Een woning wordt uit het leegstandsregister geschrapt als een zakelijk gerechtigde bewijst dat de woning gedurende een termijn van ten minste zes opeenvolgende maanden aangewend wordt overeenkomstig de functie, zoals omschreven in artikel 1, 7°.
De datum van schrapping is de eerste dag van de aanwending overeenkomstig de functie. Het effectief gebruik zal blijken uit de inschrijvingen in de bevolkingsregisters of desgevallend na een onderzoek ter plaatse.
§2. Een gebouw wordt uit het leegstandsregister geschrapt als een zakelijk gerechtigde bewijst dat meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte overeenkomstig de functie, vermeld in artikel 1, 5°, aangewend wordt gedurende een termijn van ten minste zes opeenvolgende maanden.
De loutere voorlegging van een (handels)huurovereenkomst kan niet volstaan als bewijs voor de beëindiging van de leegstand van een gebouw, aangezien deze geen enkele aanwijzing geeft omtrent de effectieve benutting van het gebouw.
De datum van schrapping is de eerste dag van de aanwending overeenkomstig de functie. De administratie stelt deze aanwending vast via administratieve data of desgevallend na een onderzoek ter plaatse.
§3. Een woning of gebouw dat gesloopt werd, wordt uit het leegstandsregister geschrapt. Alvorens tot schrapping over te gaan, moet ook het puin geruimd zijn. De datum van schrapping is de datum van betekening van de aanvraag tot schrapping.
§4. Voor de schrapping uit het leegstandsregister richt de zakelijk gerechtigde een gemotiveerd verzoek aan de administratie via beveiligde zending. Dit verzoek bevat:
Als datum van het verzoek wordt de datum van de aangetekende verzending gehanteerd.
De administratie onderzoekt of er redenen zijn tot schrapping uit het leegstandsregister en neemt een beslissing binnen een termijn 90 dagen na de ontvangst van het verzoek. De administratie brengt de verzoeker op de hoogte van haar beslissing met een beveiligde zending.
Artikel 7: Beroep tegen weigering tot schrapping
§1. Tegen de weigering tot schrapping uit het leegstandsregister, vermeld in artikel 6, kan een zakelijk gerechtigde beroep aantekenen bij het college van burgemeester en schepenen. Het beroepschrift wordt betekend binnen een termijn van dertig dagen die ingaat de derde werkdag na betekening van de beveiligde zending vermeld in artikel 6.§4.
§2. Het beroepschrift voldoet aan volgende voorwaarden om ontvankelijk te zijn:
Als het beroepschrift ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de zakelijk gerechtigde, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
§3. Zolang de indieningstermijn van dertig dagen niet verstreken is, kan een vervangend beroepschrift ingediend worden, waarbij het eerdere beroepschrift als ingetrokken wordt beschouwd.
§4. Aan de indiener van een beroepschrift wordt een ontvangstbevestiging verstuurd.
§5. Het beroepschrift is alleen onontvankelijk als:
§6. Als het beroepschrift onontvankelijk is, deelt de beroepsinstantie dit onverwijld mee aan de indiener. Het indienen van een aangepast of nieuw beroep is mogelijk zolang de beroepstermijn van §1 niet verstreken is.
§7. De beroepsinstantie onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften. Het beroep wordt geacht ongegrond te zijn als de toegang tot een gebouw of een woning geweigerd of verhinderd wordt voor het feitenonderzoek.
§8. De beroepsinstantie doet uitspraak over het beroep en betekent zijn beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de derde dag na betekening van het beroepschrift. De uitspraak wordt per beveiligde zending betekend.
§9. Als de beslissing tot opname in het leegstandsregister niet tijdig betwist wordt, of het beroep van de zakelijk gerechtigde onontvankelijk of ongegrond verklaard wordt, neemt de administratie het gebouw of de woning in het leegstandsregister op vanaf de administratieve akte van de leegstand.
Artikel 8. Opheffingsbepaling
Met de inwerkingtreding van dit reglement, op 1 januari 2026, wordt het besluit opgeheven van de gemeenteraad van 14 december 2020 betreffende de opmaak en het beheer van het leegstandsregister.
Artikel 9. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het retributiereglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286§ 1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Gecoördineerde Grondwet van België van 17 februari 1994, artikels 41, 162, 2°, 170 § 4 , 172 en 173.
Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikel 40 §1 en §3, en artikel 41, 14°.
Decreet van 19 april 1995 betreffende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikels 286 t.e.m. 288 en 326 t.e.m. 341.
Decreet van 17 juli 2020 betreffende de Vlaamse Codex Wonen.
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register
Besluit van de Vlaamse regering van 11 september 2020 tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen.
Besluit van de gemeenteraad van 16 september 2019 betreffende de deelname aan de interlokale vereniging 'Wonen Leie & Schelde' en goedkeuring statuten.
Besluit van de gemeenteraad van 14 december 2020 betreffende de goedkeuring van het reglement voor de opmaak en het beheer van het verwaarlozingsregister.
Besluit van de gemeenteraad van 15 september 2025 betreffende de deelname aan de interlokale vereniging 'Wonen Leie & Schelde', goedkeuring subsidiedossier 2026-2031 en goedkeuring statuten.
Om de problematiek van verwaarlozing in de regio beter te coördineren is de gemeente in 2019 toegetreden tot de interlokale vereniging ‘Wonen Leie & Schelde’ met werkingsgebied Destelbergen, Nazareth-De Pinte, Gavere, Merelbeke-Melle en Sint-Martens-Latem. Om bovengemeentelijke afstemming te bekomen, werd afgesproken om zowel het reglement voor de opmaak en het beheer van het verwaarlozingsregister als het toepasselijk belastingreglement op de verwaarlozing van gebouwen, woningen te hernieuwen na onderlinge afstemming.
Verwaarloosde woningen en gehouwen zorgen op diverse manieren voor overlast. Verwaarlozing van panden brengt meer lasten voor de lokale overheid met zich mee onder de vorm van grotere politionele inzet, bestrijden van sluikstorten, overlast, nemen van maatregelen om de aantrekkelijkheid van de gemeente te behouden of te verbeteren. Daarnaast kunnen verwaarloosde woningen een gevaar betekenen voor de inwonenden aangezien deze niet conform worden gebruikt.
Verwaarloosde gebouwen vormen ook een van de meest hinderlijke elementen in het straatbeeld van een handels- en of dorpskern en omliggende straten. Het beïnvloedt op negatieve wijze de aantrekkelijkheid van een gemeente doordat een desolate indruk wordt gecreëerd. Verwaarlozing bij gebouwen veroorzaakt bovendien een sneeuwbaleffect waardoor de handelsfunctie in bepaalde buurten verzwakt.
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het reglement voor de opmaak en het beheer van het verwaarlozingsregister, zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 2. Dit reglement vervangt het reglement reglement voor de opmaak en het beheer van het verwaarlozingsregister, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 14 december 2020.
Bijlage: Reglement voor de opmaak en het beheer van het verwaarlozingsregister
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit reglement gelden onder meer de begripsomschrijvingen van het artikel 1.3 van de Vlaamse Codex Wonen 2021.
In dit reglement wordt verstaan onder:
Administratie: de intergemeentelijke administratieve eenheid die door het gemeentebestuur wordt belast met de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het verwaarlozingsregister. Conform artikel 2.9, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 draagt de gemeente de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het verwaarlozingsregister over aan ‘ILV Wonen Leie & Schelde’. ILV Wonen Leie & Schelde fungeert als intergemeentelijk samenwerkingsverband en voert alle taken uit voor de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het verwaarlozingsregister.
Beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen
Beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
Gebouw: elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2,1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, zoals vermeld artikel 1.3, §1, 14° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Verwaarloosd gebouw: gebouw met zichtbare en storende gebreken of tekenen van verval aan bijvoorbeeld buitenmuren, voegwerk, schoorstenen, dakbedekking, dakgebinte, buitenschrijnwerk, kroonlijsten, dakgoten of glas.
Woning: elk onroerend goed of gedeelte ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande, zoals vermeld artikel 1.3, §1, 66° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Het onroerend goed of gedeelte ervan dient stedenbouwkundig vergund of vergund geacht te zijn met als hoofdfunctie wonen.
Verwaarloosde woning: woning met zichtbare en storende gebreken of tekenen van verval aan bijvoorbeeld buitenmuren, voegwerk, schoorstenen, dakbedekking, dakgebinte, buitenschrijnwerk, kroonlijsten, dakgoten of glas.
Verwaarlozingsregister: het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen zoals bedoeld in artikel 2 van dit reglement.
Opnamedatum: de datum waarop het gebouw of de woning in het verwaarlozingsregister wordt opgenomen.
Zakelijk gerechtigde: de houder van één van de volgende zakelijke rechten: de volle eigendom; in voorkomend geval, het recht van opstal of van erfpacht; in voorkomend geval, het vruchtgebruik.
Artikel 2. Verwaarlozingsregister
§1. De administratie houdt een register bij van verwaarloosde woningen en gebouwen.
§2. In het verwaarlozingsregister worden de volgende gegevens opgenomen:
§3. Een woning die opgenomen is in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen kan eveneens opgenomen worden in het verwaarlozingsregister, en omgekeerd.
§4. Een woning die of een gebouw dat opgenomen is in het leegstandsregister, kan eveneens opgenomen worden in het verwaarlozingsregister, en omgekeerd.
Artikel 3: Registratie van verwaarloosde woningen en gebouwen
§1. De ambtenaren van het ILV Wonen Leie & Schelde zijn door het college van burgemeester en schepenen gemachtigd voor de opsporing, registratie en schrapping van verwaarloosde woningen of gebouwen. Hierna genoemd de administratie.
§2. Een gebouw, ongeacht of het dienst doet als woning, wordt beschouwd als verwaarloosd, wanneer het ernstige zichtbare en storende gebreken of tekenen van verval vertoont aan buitenmuren, voegwerk, schoorstenen, dakbedekking, dakgebinte, buitenschrijnwerk, kroonlijst of dakgoten.
Als ernstige zichtbare en storende gebreken en tekenen van verval worden beschouwd de gebreken die verder verval op korte termijn in de hand werken. Dit geldt in het bijzonder wanneer bij hoofd- en/of bijgebouw(en):
§3. Een verwaarloosde woning of gebouw wordt opgenomen in het verwaarlozingsregister aan de hand van een genummerde administratieve akte waaraan minstens één foto wordt toegevoegd. De administratieve akte bevat een technisch verslag (dat als bijlage is toegevoegd aan het reglement) met een opsomming van alle gebreken die aanleiding gaven tot de opname in het verwaarlozingsregister.
Daarbij geldt een gebrek van categorie I voor één punt, van categorie II voor drie punten en van categorie III voor negen punten. Er is sprake van verwaarlozing als de indicaties in dit verslag een eindscore opleveren van minimaal 15 punten. Aan het verslag wordt minimaal één foto toegevoegd.
§4. De datum van de vaststelling is de datum van de administratieve akte, en geldt eveneens als opnamedatum in het verwaarlozingsregister.
Artikel 4. Kennisgeving van de registratie
§1. De zakelijk gerechtigde(n) wordt per beveiligde zending in kennis gesteld van de beslissing tot opname in het verwaarlozingsregister. De kennisgeving bevat:
§2. De beveiligde zending wordt gericht aan de woonplaats van de zakelijk gerechtigde. Is de woonplaats niet gekend, dan wordt de beveiligde zending gericht aan zijn verblijfplaats. Is de verblijfplaats niet gekend dan vindt de betekening aan het adres van de woning of het gebouw waarop de administratieve akte betrekking heeft.
Artikel 5. Beroep tegen de registratie
§1. Binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de derde werkdag na deze van de betekening van het schrijven, vermeld in artikel 4, kan een zakelijk gerechtigde bij de beroepsinstantie beroep aantekenen tegen de beslissing tot opname in het verwaarlozingsregister. Het beroep wordt per beveiligde zending betekend of tegen ontvangstbevestiging gestuurd naar leegstand@wonenleieschelde.be. Het beroepschrift dient minimaal volgende gegevens bevatten:
Als datum van het beroepschrift wordt de datum van de beveiligde zending gehanteerd.
Als het beroepschrift ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de zakelijk gerechtigde, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
§2. Zolang de indieningstermijn van dertig dagen niet verstreken is, kan een vervangend beroepschrift ingediend worden, waarbij het eerdere beroepschrift als ingetrokken wordt beschouwd.
§3. Aan de indiener van een beroepschrift wordt een ontvangstbevestiging verstuurd.
§4. Het beroepschrift is alleen onontvankelijk als:
§5. Als het beroepschrift onontvankelijk is, deelt de beroepsinstantie dit onverwijld mee aan de indiener. Het indienen van een aangepast of nieuw beroep is mogelijk zolang de beroepstermijn van §1 niet verstreken is.
§6. De beroepsinstantie onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften.
Het beroep wordt geacht ongegrond te zijn als de toegang tot een gebouw of een woning geweigerd of verhinderd wordt voor een feitenonderzoek.
§7. De beroepsinstantie doet uitspraak over het beroep en betekent zijn beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de derde werkdag na betekening van het beroepschrift. De uitspraak wordt per beveiligde zending betekend.
§8. Als de beslissing tot opname in het verwaarlozingsregister niet tijdig betwist wordt, of het beroep van de zakelijk gerechtigde onontvankelijk of ongegrond verklaard wordt, neemt de administratie het gebouw of de woning in het verwaarlozingsregister op vanaf de administratieve akte van de verwaarlozing.
§9. Tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen over het beroep tegen de registratie kan binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van die beslissing een hoger beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg. Als het college geen uitspraak doet over het beroep, of zijn uitspraak niet betekent binnen de termijn vermeld in §7, is een beroep bij de rechtbank van eerste aanleg mogelijk ten vroegste zes maanden na de datum van ontvangst van het beroep bij de gemeente. Artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
Artikel 6. Schrapping uit het verwaarlozingsregister
§1. Een woning of gebouw wordt uit het verwaarlozingsregister geschrapt als een zakelijk gerechtigde bewijst dat de woning of het gebouw geen indicaties van verwaarlozing meer vertoont die bij quotering in het model van technisch verslag, vermeld in artikel 3, 15 punten of meer zouden opleveren.
§2. Voor de schrapping uit het verwaarlozingsregister richt de zakelijk gerechtigde een gemotiveerd verzoek aan de administratie via beveiligde zending. Dit verzoek bevat:
Als datum van het verzoek wordt de datum van de beveiligde verzending gehanteerd.
De administratie onderzoekt of er redenen zijn tot schrapping uit het verwaarlozingsregister en neemt een beslissing binnen een termijn 90 dagen na de ontvangst van het verzoek. De administratie brengt de verzoeker op de hoogte van haar beslissing met een beveiligde zending.
§3. De datum van schrapping is de datum van de betekening van de aanvraag tot schrapping uit het verwaarlozingsregister.
Artikel 7. Beroep tegen weigering tot schrapping
§1. Tegen de weigering tot schrapping uit het verwaarlozingsregister, vermeld in artikel 6, kan een zakelijk gerechtigde beroep aantekenen bij het college van burgemeester en schepenen. Het beroepschrift wordt betekend binnen een termijn van dertig dagen die ingaat de derde werkdag na betekening van de beveiligde zending vermeld in artikel 6.§2.
§2. Het beroepschrift voldoet aan volgende voorwaarden om ontvankelijk te zijn:
Als het beroepschrift ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de zakelijk gerechtigde, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
§3. Zolang de indieningstermijn van dertig dagen niet verstreken is, kan een vervangend beroepschrift ingediend worden, waarbij het eerdere beroepschrift als ingetrokken wordt beschouwd.
§4. Aan de indiener van een beroepschrift wordt een ontvangstbevestiging verstuurd.
§5. Het beroepschrift is alleen onontvankelijk als:
§6. Als het beroepschrift onontvankelijk is, deelt de beroepsinstantie dit onverwijld mee aan de indiener. Het indienen van een aangepast of nieuw beroep is mogelijk zolang de beroepstermijn van §1 niet verstreken is.
§7. De beroepsinstantie onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften. Het beroep wordt geacht ongegrond te zijn als de toegang tot een gebouw of een woning geweigerd of verhinderd wordt voor het feitenonderzoek.
§8. De beroepsinstantie doet uitspraak over het beroep en betekent zijn beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de derde dag na betekening van het beroepschrift. De uitspraak wordt per beveiligde zending betekend.
§9. Als de beslissing tot opname in het verwaarlozingsregister niet tijdig betwist wordt, of het beroep van de zakelijk gerechtigde onontvankelijk of ongegrond verklaard wordt, neemt de administratie het gebouw of de woning in het verwaarlozingsregister op vanaf de administratieve akte van de verwaarlozing.
Artikel 8. Opheffingsbepaling
Met de inwerkingtreding van dit reglement, op 1 januari 2026, wordt het besluit opgeheven van de gemeenteraad van 14 december 2020 betreffende de opmaak en het beheer van het verwaarlozingsregister.
Artikel 9. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het retributiereglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286§ 1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, artikelen 41, 162, 2° en 170 § 4.
Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikelen 2, 40 §3, 41 alinea 2 - 14° en 56 §3 7°
Wetboek van de inkomstenbelasting van 10 april 1992.
Wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
Decreet van 19 april 1995 betreffende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikels 286 t.e.m. 288 en 326 t.e.m. 341.
Decreet van 17 juli 2020 betreffende de Vlaamse Codex Wonen.
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register.
Besluit van de Vlaamse regering van 11 september 2020 tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen.
Omzendbrief BB 2008/07 van 18 juli 2008 aangaande het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019.
Besluit van de Gemeenteraad van 15 december 2025 betreffende het retributiereglement ter invordering van fiscale ontvangsten bij de gemeente (2026-2031).
Besluit van de gemeenteraad van 16 september 2019 betreffende de deelname aan de interlokale vereniging 'Wonen Leie & Schelde' en goedkeuring statuten.
Besluit van de gemeenteraad van 14 december 2020 betreffende de goedkeuring van het belastingreglement op leegstaande woningen en/of gebouwen in het leegstandsregister (2021-2025).
Besluit van de gemeenteraad van 15 september 2025 betreffende de deelname aan de interlokale vereniging 'Wonen Leie & Schelde', goedkeuring subsidiedossier 2026-2031 en goedkeuring statuten.
Besluit van de gemeenteraad van 15 december 2025 betreffende de goedkeuring van het reglement van voor de opmaak en het beheer van het leegstandsregister.
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente gelet op de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht in het Meerjarenplan 2026 - 2031 te handhaven en de bijhorende financiële toestand waarbij het bestuur kiest voor een gezond financieel beleid.
Om de problematiek van leegstand in de regio beter te coördineren is de gemeente in 2019 toegetreden tot de interlokale vereniging ‘Wonen Leie & Schelde’ met werkingsgebied Nazareth-De Pinte, Merelbeke-Melle, Gavere en Sint-Martens-Latem. Om bovengemeentelijke afstemming te bekomen, werd afgesproken om zowel het reglement voor de opmaak en het beheer van het leegstandsregister als het toepasselijk belastingreglement op de leegstand van woningen en gebouwen te hernieuwen na onderlinge afstemming.
Leegstaande woningen en gebouwen zorgen op diverse manieren voor overlast. Leegstand is veelal een voorbode van verwaarlozing en verkrotting. Langdurige leegstand zal dan ook meer lasten voor de lokale overheid met zich meebrengen onder de vorm van grotere politionele inzet, bestrijden van sluikstorten, overlast, nemen van maatregelen om de aantrekkelijkheid van de gemeente te behouden of te verbeteren.
Daarnaast zijn leegstaande woningen niet beschikbaar voor de huizenmarkt. Er is reeds een tekort op de huizenmarkt, waardoor de huur- en verkoopprijzen hoog blijven. Tevens blijkt dat een grote groep mensen in de onmogelijkheid is om een betaalbare woning te vinden. Leegstand vormt ook een van de meest hinderlijke elementen in het straatbeeld van een handels- en of dorpskern en omliggende straten. Het beïnvloedt op negatieve wijze de aantrekkelijkheid van een gemeente doordat een desolate indruk wordt gecreëerd. Leegstand bij gebouwen veroorzaakt bovendien een sneeuwbaleffect waardoor de handelsfunctie in bepaalde buurten verzwakt.
Leegstand moet dan ook worden bestreden, (o.a.) door middel van een leegstandsbelasting, een belasting waarvoor er in voorliggend reglement echter ook een aantal vrijstellingen zijn opgenomen die aansluiten bij de noden en het beleid van de gemeente en die verantwoord zijn aangezien:
De jaarlijkse stijging van de inflatie wordt doorgerekend in de loonkost van de administratie door het principe van automatische loonindexering bij het overschrijden van de spilindex gekoppeld aan de gezondheidsindex. De verhoging van de loonkosten zorgt ervoor dat het aanbieden van de gemeentelijke voorzieningen duurder wordt. Het is gerechtvaardigd om de financiële tussenkomst van de belastingplichtigen aan te passen aan deze inflatiestijging. Het belastingtarief wordt daarom jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
De ontvangsten zijn ingeschreven in het Meerjarenplan 2026 - 2031 onder jaarbudgetrekening GBB/0020-00/737400/GEMEENTE/CBS/IP-GEEN.
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het belastingreglement op leegstaande woningen en gebouwen opgenomen in het leegstandsregister (2026-2031), zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 2. Dit reglement vervangt het belastingreglement op leegstaande woningen en/of gebouwen opgenomen in het leegstandsregister (2021-2025), zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 14 december 2020.
Bijlage: Belastingreglement op leegstaande woningen en gebouwen opgenomen in het leegstandsregister (2026-2031)
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
Artikel 2. Toepassingsgebied
§1. De gemeente heft een indirecte belasting op woningen en gebouwen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden zijn opgenomen in het leegstandsregister. De belasting wordt geheven voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031.
§2. Het belastingreglement is geldig van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 3. De belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de belastingplichtige van de leegstaande woning of het leegstaande gebouw op de verjaardag van de opnamedatum.
§2. In geval van overlijden van de belastingplichtige wordt ingekohierd op naam van de overleden belastingplichtige voorafgegaan door het woord ‘Nalatenschap’.
§3. In geval van onverdeeldheid van meerdere belastingplichtigen wordt ingekohierd hetzij op naam van alle belastingplichtigen, hetzij op naam van een of meer van de belastingplichtigen, gevolgd door de vermelding ‘en rechthebbenden’.
§4. De overdrager van het zakelijk recht moet de verkrijger ervan in kennis stellen dat het onroerend goed is opgenomen in het leegstandsregister.
Tevens moet hij per beveiligde zending een kopie van de notariële akte bezorgen aan de gemeente, binnen twee maanden na het verlijden van de notariële akte. Deze kopie bevat minstens de volgende gegevens:
Ontbreekt de kennisgeving aan de gemeente dan wordt de overdrager van een zakelijk recht, in afwijking van paragraaf één, als belastingschuldige beschouwd voor de eerstvolgende belasting die na de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd.
Artikel 4. Hoofdelijkheid
Indien er meerdere zakelijk gerechtigden zijn, zijn allen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
Artikel 5. Berekeningsgrondslag en tarief
§1. De belasting is jaarlijks, ineens en ondeelbaar voor het hele jaar verschuldigd, per leegstaande woning of leegstaand gebouw.
§2. De belasting voor een leegstaande woning of een leegstaand gebouw is voor het eerst verschuldigd vanaf het ogenblik dat die woning of dat gebouw gedurende twaalf opeenvolgende maanden is opgenomen in het leegstandsregister.
Zolang de woning of het gebouw niet uit het leegstandsregister is geschrapt, blijft de belasting verschuldigd op het ogenblik dat een nieuwe termijn van twaalf maanden verstrijkt.
§3. Het bedrag wordt vastgesteld op:
Het bedrag wordt verhoogd voor iedere bijkomende opeenvolgende termijn van twaalf maanden registratie in het leegstandsregister en bedraagt volgens onderstaande tabel:
|
|
Tweede jaar |
Derde jaar |
Vierde en volgende jaren |
| Woning |
3.125,00 euro |
4.687,00 euro |
6.250,00 euro |
| Gebouw |
6.250,00 euro |
9.375,00 euro |
12.500,00 euro |
§4. Voor de belastingtarieven wordt een jaarlijkse indexering voorzien op 1 januari, die gekoppeld is aan de gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement. De belastingtarieven worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat. De formule voor berekening die hierbij wordt toegepast: [huidig tarief] x [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat] / [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement]. Na indexering rondt de gemeente het tarief van de belasting af naar het dichtstbijzijnde veelvoud van euro.
§5. In het geval de woning of het gebouw ook opgenomen is in het verwaarlozingsregister, dan is de belasting verschuldigd per afzonderlijke opname in het leegstandsregister en het verwaarlozingsregister.
Artikel 6. Vrijstellingen of vermindering
§1. Een vrijstelling kan aangevraagd worden via beveiligde zending bij de administratie aan de hand van een gemotiveerd verzoek en voorzien van de nodige bewijsstukken. Deze aanvraag moet ingediend worden voor het verstrijken van de verjaardag van opname in het leegstandsregister.
§2. De vrijstelling van belasting heeft geen impact op de opname van de woning of het gebouw in het leegstandsregister. De anciënniteit van opname in het leegstandsregister blijft niet doorlopen tijdens de periode van vrijstelling. Als de reden tot vrijstelling komt weg te vallen, zal de heffing berekend worden op basis van de begindatum van opname in het leegstandsregister en worden de jaren vrijstelling in min genomen.
§3. Van de leegstandsbelasting zijn vrijgesteld om persoonsgebonden redenen:
§4. Van de leegstandsbelasting zijn vrijgesteld om gebouwgebonden redenen:
De woning of het gebouw dat vernield of beschadigd werd ten gevolge van een ramp. Deze vrijstelling geldt voor een periode van twee opeenvolgende aanslagjaren volgend op de datum van de vernieling of beschadiging.
De woning of het gebouw dat onmogelijk daadwerkelijk gebruikt kan worden omwille van een verzegeling of betredingsverbod in het kader van een strafrechtelijk onderzoek met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt tot één aanslagjaar na het aflopen van de verzegeling of het betredingsverbod.
De woning of het gebouw waarvoor een goedkeuring in eerste aanleg werd ontvangen voor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen waarna een derdenberoep volgde. De belastingplichtigen kunnen éénmalig beroep doen op deze vrijstelling. De vrijstelling geldt voor één aanslagjaar volgend op het derdenberoep.
De woning of het gebouw dat wordt gerenoveerd op basis van één van deze twee gevallen van renovatie:
De woning of het gebouw dat wordt gerenoveerd of verbouwd binnen een ruimer renovatieproject van groepswoningen en waarvoor een gedetailleerde renovatieplanning werd ingediend op het lokaal woonoverleg. Deze vrijstelling geldt voor een termijn van één aanslagjaar volgend op het moment dat de planning is bezorgd aan de leden van het lokaal woonoverleg. De vrijstelling kan drie maal voor één aanslagjaar worden verlengd mits positief advies van het lokaal woonoverleg over de voortgang van de renovatieplanning.
De woning of het gebouw dat krachtens decreet beschermd is als monument of opgenomen is op een bij besluit vastgesteld ontwerp van lijst tot bescherming als monument en dit beschermingsstatuut de aanwending van het gebouw of de woning onmogelijk maakt. Deze vrijstelling geldt voor drie opeenvolgende aanslagjaren.
De woning of het gebouw dat leegstaat wegens overmacht. De leegstand is te wijten aan redenen buiten de wil van de belastingplichtige en er kan redelijkerwijze niet worden verwacht dat deze een einde stelt aan de leegstand. De belastingplichtige draagt hiervoor de bewijslast. Deze vrijstelling geldt voor één aanslagjaar.
Artikel 7. Inning en invordering
§1. De invordering gebeurt overeenkomstig de procedure voorzien in het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, invordering en geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
§2. Invorderingsdocumenten worden door de gemeente in gesloten omslag toegezonden.
Als het gemeentebestuur voor een bepaalde belasting de eBox gebruikt om digitaal een invorderingsdocument ter beschikking te stellen en als de belastingplichtige de eBox activeerde, wordt dit invorderingsdocument echter uitsluitend via de eBox aangeboden. Het activeren van de eBox geldt als een uitdrukkelijke instemming met digitale aanbieding.
De digitale aanbieding, vermeld in het tweede lid, geldt als rechtsgeldige kennisgeving van dit invorderingsdocument en brengt dezelfde rechtsgevolgen tot stand als de verzending ervan in gesloten omslag. Van zodra de eBox niet meer geactiveerd is, wordt het invorderingsdocument in kwestie door het gemeentebestuur toegezonden overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 8. Controle en onderzoek
De door het college van burgemeester en schepenen aangestelde personeelsleden, overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 30 mei 2008, zijn gemachtigd om vaststellingen te doen van feiten die aanleiding gaven tot het vestigen van de belasting.
Zij controleren onder andere de oprechtheid van de aanvragen, met alle middelen waarvoor zij beschikken. De belastingplichtigen zijn verplicht deze controle te vergemakkelijken.
Zij zijn eveneens bevoegd elke inbreuk op het huidig reglement vast te stellen en moeten daarvoor toegang krijgen tot alle plaatsen waar de belastbare feiten plaats kunnen hebben.
Artikel 9. Bezwaar
§1. Op grond van het Decreet van 30 mei 2008 en volgens de daar beschreven voorwaarden kan tegen deze belasting een bezwaar ingediend worden bij het college van burgemeester en schepenen.
Het Decreet van 30 mei 2008 bepaalt dat het bezwaar schriftelijk moet worden ingediend, en ondertekend en gemotiveerd moet zijn. Het bezwaar moet worden ingediend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger.
Het bezwaarschrift wordt op straffe van verval ingediend binnen drie maanden vanaf de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet heeft ontvangen of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet digitaal verzonden werd, geldt de datum van verzending als datum van zijn verzending.
Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om digitale berichten uit te wisselen, zoals de eBox, wordt het aanslagbiljet geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop het aanslagbiljet voor de belastingplichtige toegankelijk wordt.
§2. Het bezwaarschrift moet ofwel schriftelijk ingediend worden (aangetekend of tegen ontvangstbewijs) ofwel digitaal op volgend e-mailadres: belastingen@sint-martens-latem.be . Het moet de naam, de hoedanigheid en het adres of de zetel van de belastingplichtige vermelden. Het moet ook het voorwerp van het bezwaarschrift en de motivatie samen met een opgave van de feiten en de middelen vermelden. Als de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger wil uitgenodigd worden op de hoorzitting moet dit in het bezwaarschrift worden gevraagd.
Artikel 10. Overgangsbepalingen
§1. Een reeds toegekende vrijstelling op basis van dezelfde of gelijkaardige grond onder een vorig belastingreglement kan door dezelfde belastingplichtige voor dezelfde woning of gebouw niet opnieuw worden verkregen op basis van het huidige belastingreglement.
Als op een vrijstelling meerdere aanslagjaren beroep kan worden gedaan, dan wordt het aantal jaren waarvoor, onder een vorig belastingreglement, al een vrijstelling werd toegekend in mindering gebracht van het totaal aantal jaren vrijstelling op (basis van dezelfde of gelijkaardige grond) voorzien in dit belastingreglement.
De opnamedatum van de panden in het leegstandsregister blijft behouden.
§2. Het ‘Belastingreglement op leegstaande woningen en/of gebouwen opgenomen in het leegstandsregister’, goedgekeurd door de gemeenteraad op 14 december 2020 wordt voor belastbare feiten die zich voltrekken vanaf 1 januari 2026 opgeheven met ingang van 1 januari 2026 en vervangen door dit besluit. Dit belastingreglement blijft van toepassing voor belastbare feiten uiterlijk voltrokken op 31 december 2025. Opnames in het leegstandsregister voor 1 januari 2026 op grond van eerdere reglementen blijven onverminderd bestaan.
Artikel 11. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het belastingreglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286§1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Gecoördineerde Grondwet van België van 17 februari 1994, artikelen 41, 162, 2° en 170 §4.
Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikelen 40 §3, 41 alinea 2 - 14° en 56 §3 7°.
Wetboek van de inkomstenbelasting van 10 april 1992.
Wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
Decreet van 19 april 1995 betreffende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikels 286 t.e.m. 288 en 326 t.e.m. 341.
Decreet van 17 juli 2020 betreffende de Vlaamse Codex Wonen.
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register.
Besluit van de Vlaamse regering van 11 september 2020 tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen.
Omzendbrief BB 2008/07 van 18 juli 2008 aangaande het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019.
Besluit van de Gemeenteraad van 15 december 2025 betreffende het retributiereglement ter invordering van fiscale ontvangsten bij de gemeente (2026-2031).
Besluit van de gemeenteraad van 16 september 2019 betreffende de deelname aan de interlokale vereniging 'Wonen Leie & Schelde' en goedkeuring statuten.
Besluit van de gemeenteraad van 14 december 2020 betreffende de goedkeuring van het belastingreglement op verwaarloosde woningen en/of gebouwen in het verwaarlozingsregister (2021-2025).
Besluit van de gemeenteraad van 15 september 2025 betreffende de deelname aan de interlokale vereniging 'Wonen Leie & Schelde', goedkeuring subsidiedossier 2026-2031 en goedkeuring statuten.
Besluit van de gemeenteraad van 15 december 2025 betreffende de goedkeuring van het reglement van voor de opmaak en het beheer van het verwaarlozingsregister.
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente gelet op de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht in het Meerjarenplan 2026 - 2031 te handhaven en de bijhorende financiële toestand waarbij het bestuur kiest voor een gezond financieel beleid.
Om de problematiek van verwaarlozing in de regio beter te coördineren is de gemeente in 2019 toegetreden tot de interlokale vereniging ‘Wonen Leie & Schelde’ met werkingsgebied Nazareth-De Pinte, Gavere, Merelbeke-Melle, Gavere en Sint-Martens-Latem. Om bovengemeentelijke afstemming te bekomen, werd afgesproken om zowel het reglement voor de opmaak en het beheer van het verwaarlozingsregister als het toepasselijk belastingreglement op de verwaarlozing van gebouwen, woningen te hernieuwen na onderlinge afstemming.
Verwaarloosde woningen en gebouwen zorgen op diverse manieren voor overlast. Verwaarlozing van panden brengt meer lasten voor de lokale overheid met zich mee onder de vorm van grotere politionele inzet, bestrijden van sluikstorten, overlast, nemen van maatregelen om de aantrekkelijkheid van de gemeente te behouden of te verbeteren. Daarnaast kunnen verwaarloosde woningen een gevaar betekenen voor de inwonenden aangezien deze niet conform worden gebruikt.
Verwaarloosde gebouwen vormen ook een van de meest hinderlijke elementen in het straatbeeld van een handels- en of dorpskern en omliggende straten. Het beïnvloedt op negatieve wijze de aantrekkelijkheid van een gemeente doordat een desolate indruk wordt gecreëerd. Verwaarlozing bij gebouwen veroorzaakt bovendien een sneeuwbaleffect waardoor de handelsfunctie in bepaalde buurten verzwakt.
Verwaarlozing moet dan ook worden bestreden, (o.a.) door middel van een verwaarlozingsbelasting, een belasting waarvoor er in voorliggend reglement echter ook een aantal vrijstellingen zijn opgenomen die aansluiten bij de noden en het beleid van de gemeente en die verantwoord zijn aangezien:
De jaarlijkse stijging van de inflatie wordt doorgerekend in de loonkost van de administratie door het principe van automatische loonindexering bij het overschrijden van de spilindex gekoppeld aan de gezondheidsindex. De verhoging van de loonkosten zorgt ervoor dat het aanbieden van de gemeentelijke voorzieningen duurder wordt. Het is gerechtvaardigd om de financiële tussenkomst van de belastingplichtigen aan te passen aan deze inflatiestijging. Het belastingtarief wordt daarom jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex
De ontvangsten zijn ingeschreven in het Meerjarenplan 2026 - 2031 onder jaarbudgetrekening GBB/0020-00/737500/GEMEENTE/CBS/IP-GEEN.
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het belastingreglement op verwaarloosde woningen en gebouwen opgenomen in het verwaarlozingsregister (2026-2031), zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 2. Dit reglement vervangt het belastingreglement op verwaarloosde woningen en/of gebouwen opgenomen in het verwaarlozingsregister (2021-2025), zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 14 december 2020.
Bijlage: Belastingreglement op verwaarloosde woningen en gebouwen opgenomen in het verwaarlozingsregister (2026-2031)
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
Artikel 2. Toepassingsgebied
§1. De gemeente heft een indirecte belasting op woningen en gebouwen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden zijn opgenomen in het verwaarlozingsregister. De belasting wordt geheven voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031.
§2. Het belastingreglement is geldig van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 3. De belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de belastingplichtige van de verwaarloosde woning of het verwaarloosde gebouw op de verjaardag van de opnamedatum.
§2. Ingeval er meerdere zakelijk gerechtigden zijn, zijn allen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
§3. In geval van overlijden van de belastingplichtige wordt ingekohierd op naam van de overleden belastingplichtige voorafgegaan door het woord ‘Nalatenschap’.
§4. In geval van onverdeeldheid van meerdere belastingplichtigen wordt ingekohierd hetzij op naam van alle belastingplichtigen, hetzij op naam van een of meer van de belastingplichtigen, gevolgd door de vermelding ‘en rechthebbenden’.
§5. De overdrager van het zakelijk recht moet de verkrijger ervan in kennis stellen dat het onroerend goed is opgenomen in het verwaarlozingsregister.
Tevens moet hij per beveiligde zending een kopie van de notariële akte bezorgen aan de gemeente, binnen twee maanden na het verlijden van de notariële akte. Deze kopie bevat minstens de volgende gegevens:
Ontbreekt de kennisgeving aan de gemeente dan wordt de overdrager van een zakelijk recht, in afwijking van paragraaf één, als belastingschuldige beschouwd voor de eerstvolgende belasting die na de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd.
Artikel 4. Hoofdelijkheid
Indien er meerdere zakelijk gerechtigden zijn, zijn allen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
Artikel 5. Berekeningsgrondslag en tarief
§1. De belasting is jaarlijks, ineens en ondeelbaar voor het hele jaar verschuldigd, per verwaarloosde woning of verwaarloosd gebouw.
§2. De belasting voor een verwaarloosde woning of een verwaarloosd gebouw is voor het eerst verschuldigd vanaf het ogenblik dat die woning of dat gebouw gedurende twaalf opeenvolgende maanden is opgenomen in het verwaarlozingsregister.
Zolang de woning of het gebouw niet uit het verwaarlozingsregister is geschrapt, blijft de belasting verschuldigd op het ogenblik dat een nieuwe termijn van twaalf maanden verstrijkt.
§3. Het bedrag wordt vastgesteld op:
Het bedrag wordt verhoogd voor iedere bijkomende opeenvolgende termijn van twaalf maanden registratie in het verwaarlozingsregister en bedraagt volgens onderstaande tabel:
|
|
Tweede jaar |
Derde jaar |
Vierde en volgende jaren |
| Woning |
3.125,00 euro |
4.687,00 euro |
6.250,00 euro |
| Gebouw |
6.250,00 euro |
9.375,00 euro |
12.500,00 euro |
§4. Voor de belastingtarieven wordt een jaarlijkse indexering voorzien op 1 januari, die gekoppeld is aan de gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement. De belastingtarieven worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat. De formule voor berekening die hierbij wordt toegepast: [huidig tarief] x [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat] / [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement]. Na indexering rondt de gemeente het tarief van de belasting af naar het dichtstbijzijnde veelvoud van euro.
§5. In het geval de woning of het gebouw ook opgenomen is in het leegstandsregister, dan is de belasting verschuldigd per afzonderlijke opname in het leegstandsregister en het verwaarlozingsregister.
Artikel 6. Vrijstellingen en verminderingen
§1. Een vrijstelling kan aangevraagd worden via beveiligde zending bij de administratie aan de hand van een gemotiveerd verzoek en voorzien van de nodige bewijsstukken. Deze aanvraag moet ingediend worden voor het verstrijken van de verjaardag van opname in het verwaarlozingsregister.
§2. De vrijstelling van belasting heeft geen impact op de opname van de woning of het gebouw in het verwaarlozingsregister. De anciënniteit van opname in het verwaarlozingsregister blijft niet doorlopen tijdens de periode van vrijstelling. Als de reden tot vrijstelling komt weg te vallen, zal de heffing berekend worden op basis van de begindatum van opname in het verwaarlozingsregister en worden de jaren vrijstelling in min genomen.
§3. Van de verwaarlozingsbelasting zijn vrijgesteld om persoonsgebonden redenen:
§4. Van de verwaarlozingsbelasting zijn vrijgesteld om gebouwgebonden redenen:
De woning of het gebouw dat wordt gerenoveerd of verbouwd binnen een ruimer renovatieproject van groepswoningen en waarvoor een gedetailleerde renovatieplanning werd ingediend op het lokaal woonoverleg. Deze vrijstelling geldt voor een termijn van één aanslagjaar volgend op het moment dat de planning is bezorgd aan de leden van het lokaal woonoverleg. De vrijstelling kan drie maal voor één aanslagjaar worden verlengd mits positief advies van het lokaal woonoverleg over de voortgang van de renovatieplanning.
De woning of het gebouw dat verwaarloosd is wegens overmacht. De verwaarlozing is te wijten aan redenen buiten de wil van de belastingplichtige en er kan redelijkerwijze niet worden verwacht dat deze een einde stelt aan de verwaarlozing. De belastingplichtige draagt hiervoor de bewijslast. Deze vrijstelling geldt voor één aanslagjaar.
Artikel 7. Inning en invordering
§1. De invordering gebeurt overeenkomstig de procedure voorzien in het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, invordering en geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
§2. Invorderingsdocumenten worden door de gemeente in gesloten omslag toegezonden.
Als het gemeentebestuur voor een bepaalde belasting de eBox gebruikt om digitaal een invorderingsdocument ter beschikking te stellen en als de belastingplichtige de eBox activeerde, wordt dit invorderingsdocument echter uitsluitend via de eBox aangeboden. Het activeren van de eBox geldt als een uitdrukkelijke instemming met digitale aanbieding.
De digitale aanbieding, vermeld in het tweede lid, geldt als rechtsgeldige kennisgeving van dit invorderingsdocument en brengt dezelfde rechtsgevolgen tot stand als de verzending ervan in gesloten omslag. Van zodra de eBox niet meer geactiveerd is, wordt het invorderingsdocument in kwestie door het gemeentebestuur toegezonden overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 8. Controle en onderzoek
De door het college van burgemeester en schepenen aangestelde personeelsleden, overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 30 mei 2008, zijn gemachtigd om vaststellingen te doen van feiten die aanleiding gaven tot het vestigen van de belasting.
Zij controleren onder andere de oprechtheid van de aanvragen, met alle middelen waarvoor zij beschikken. De belastingplichtigen zijn verplicht deze controle te vergemakkelijken.
Zij zijn eveneens bevoegd elke inbreuk op het huidig reglement vast te stellen en moeten daarvoor toegang krijgen tot alle plaatsen waar de belastbare feiten plaats kunnen hebben.
Artikel 9. Bezwaar
§1. Op grond van het Decreet van 30 mei 2008 en volgens de daar beschreven voorwaarden kan tegen deze belasting een bezwaar ingediend worden bij het college van burgemeester en schepenen.
Het Decreet van 30 mei 2008 bepaalt dat het bezwaar schriftelijk moet worden ingediend, en ondertekend en gemotiveerd moet zijn. Het bezwaar moet worden ingediend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger.
Het bezwaarschrift wordt op straffe van verval ingediend binnen drie maanden vanaf de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet heeft ontvangen of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet digitaal verzonden werd, geldt de datum van verzending als datum van zijn verzending.
Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om digitale berichten uit te wisselen, zoals de eBox, wordt het aanslagbiljet geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop het aanslagbiljet voor de belastingplichtige toegankelijk wordt.
§2. Het bezwaarschrift moet ofwel schriftelijk ingediend worden (aangetekend of tegen ontvangstbewijs) ofwel digitaal op volgend e-mailadres: belastingen@sint-martens-latem.be . Het moet de naam, de hoedanigheid en het adres of de zetel van de belastingplichtige vermelden. Het moet ook het voorwerp van het bezwaarschrift en de motivatie samen met een opgave van de feiten en de middelen vermelden. Als de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger wil uitgenodigd worden op de hoorzitting moet dit in het bezwaarschrift worden gevraagd.
Artikel 10. Overgangsbepalingen
§1. Een reeds toegekende vrijstelling op basis van dezelfde of gelijkaardige grond onder een vorig belastingreglement kan door dezelfde belastingplichtige voor dezelfde woning of gebouw niet opnieuw worden verkregen op basis van het huidige belastingreglement.
Als op een vrijstelling meerdere aanslagjaren beroep kan worden gedaan, dan wordt het aantal jaren waarvoor, onder een vorig belastingreglement, al een vrijstelling werd toegekend in mindering gebracht van het totaal aantal jaren vrijstelling op (basis van dezelfde of gelijkaardige grond) voorzien in dit belastingreglement.
De opnamedatum van de panden in het verwaarlozingsregister blijft behouden.
§2. Het ‘Belastingreglement op verwaarloosde woningen en/of gebouwen opgenomen in het verwaarlozingsregister’, goedgekeurd door de gemeenteraad op 14 december 2020 wordt voor belastbare feiten die zich voltrekken vanaf 1 januari 2026 opgeheven met ingang van 1 januari 2026 en vervangen door dit besluit. Dit belastingreglement blijft van toepassing voor belastbare feiten uiterlijk voltrokken op 31 december 2025. Opnames in het verwaarlozingsregister voor 1 januari 2026 op grond van eerdere reglementen blijven onverminderd bestaan.
Artikel 11. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het belastingreglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286§1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Gecoördineerde Grondwet van België van 17 februari 1994, artikelen 41, 162, 2° en 170 § 4.
Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikel 40 §3, 41 alinea 2 - 14° en 56 §3 7°.
Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten.
Wetboek van de inkomstenbelasting van 10 april 1992.
Wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikels 286 t.e.m. 288 en 326 t.e.m. 341.
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register.
Besluit van de Vlaamse regering van 11 september 2020 tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen.
Omzendbrief BB 2008/07 van 18 juli 2008 aangaande het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019.
Besluit van de Gemeenteraad van 15 december 2025 betreffende het retributiereglement ter invordering van fiscale ontvangsten bij de gemeente (2026-2031).
Besluit van de gemeenteraad van 14 december 2020 betreffende de goedkeuring belastingreglement op de tweede verblijven 2021-2025.
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente gelet op de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht in het Meerjarenplan 2026 - 2031 te handhaven en de bijhorende financiële toestand waarbij het bestuur kiest voor een gezond financieel beleid.
Redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de zakelijke gerechtigden van woningen, bewoond maar zonder inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister ook gebruik maken van de gemeentelijke dienstverlening. Evenwel dragen zij niet op dezelfde wijze bij in de uitgaven van de gemeente zoals de inwoners die wel zijn ingeschreven in het bevolkingsregister en over het algemeen ook onderworpen zijn aan de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting.
De belasting is verschuldigd door zakelijk gerechtigden die zowel op als buiten het grondgebied van de gemeente woonachtig zijn. De belasting is immers een belasting op woningen bewoond maar zonder inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister, zodat het feit of de zakelijk gerechtigden al dan niet elders is ingeschreven dan in het eigen bevolkings- of vreemdelingenregister, geen relevant onderscheidingscriterium is voor de toepassing van de belasting.
De jaarlijkse stijging van de inflatie wordt doorgerekend in de loonkost van de administratie door het principe van automatische loonindexering bij het overschrijden van de spilindex gekoppeld aan de gezondheidsindex. De verhoging van de loonkosten zorgt ervoor dat het aanbieden van de gemeentelijke voorzieningen duurder wordt. Het is gerechtvaardigd om de financiële tussenkomst van de belastingplichtigen aan te passen aan deze inflatiestijging. Het belastingtarief wordt daarom jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
Bovendien wenst de gemeente woningen mét reguliere woonfunctie te behouden, minstens het behoud sterk aan te moedigen en enig ander gebruik te ontraden. Dit om het woningaanbod op peil te houden en de betaalbaarheid van woningen enigszins te beschermen door het gebruik van woningen voor een andere of meer lucratieve functie te ontmoedigen. Een belasting op woningen bewoond maar zonder inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister kan bijdragen dat personen die hun feitelijke verblijfplaats in onze gemeente hebben, zich inschrijven in het bevolkingsregister.
Essentieel is dat de geviseerde woningen effectief en feitelijk gebruikt worden voor een bepaalde vorm van bewoning, zoals bedoeld in de stedenbouwkundige functiegroep ‘wonen’. Is dit effectief en feitelijk gebruik er niet, dan kan dit een situatie van leegstand zijn.
Woningen met een (van vergunning vrijgestelde) complementaire functie zoals bedoeld in art. 2,§3 van het Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen d.d. 14 april 2000, vallen niet onder het toepassingsgebied van deze belasting, aangezien een complementaire functie enkel kan indien de hoofdfunctie ‘wonen’ behouden blijft en dit per definitie een inschrijving in het bevolkingsregister impliceert. Het kan dan wel een situatie van leegstand impliceren.
Woningen die legaal en duurzaam onttrokken zijn aan de woningmarkt en een andere hoofdfunctie dan ‘wonen’ verkregen, vallen niet onder het toepassingsgebied deze belasting. Bedoeld worden woningen met stedenbouwkundig vergunde hoofdfunctie zoals verblijfsrecreatie; dagrecreatie (met inbegrip van sport); land- en tuinbouw in de ruime zin; detailhandel; dancing, restaurant en café; kantoorfunctie, dienstverlening en vrije beroepen; industrie en bedrijvigheid of gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.
De ontvangsten zijn ingeschreven in het Meerjarenplan 2026 - 2031 onder jaarbudgetrekening GBB/0020-00/737700/GEMEENTE/CBS/IP-GEEN.
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het belastingreglement op woningen bewoond maar zonder inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister (2026-2031), zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 2. Dit reglement vervangt het belastingreglement op de tweede verblijven (2021-2025), zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 14 december 2020.
Bijlage: Belastingreglement op woningen bewoond maar zonder inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister (2026-2031)
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
Artikel 2. Toepassingsgebied
§1. De gemeente heft een indirecte belasting op woningen bewoond maar zonder inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister. De belasting wordt geheven voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031.
§2. Het belastingreglement is geldig van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 3. Belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de belastingplichtige van de woning op 1 januari van het aanslagjaar.
§2. In geval van overlijden van de belastingplichtige wordt ingekohierd op naam van de overleden belastingplichtige voorafgegaan door het woord ‘Nalatenschap’.
§3. In geval van onverdeeldheid van meerdere belastingplichtigen wordt ingekohierd hetzij op naam van alle belastingplichtigen, hetzij op naam van een of meer van de belastingplichtigen, gevolgd door de vermelding ‘en rechthebbenden’.
Artikel 4. Hoofdelijkheid
Indien er meerdere zakelijk gerechtigden zijn, zijn allen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
Artikel 5. Berekeningsgrondslag en tarief
§1. De belasting is jaarlijks, ineens en ondeelbaar voor het hele jaar verschuldigd, per belastbare woning.
§2. Het bedrag per woning wordt vastgesteld op 1.500,00 euro.
§3. Voor het belastingtarief wordt een jaarlijkse indexering voorzien op 1 januari, die gekoppeld is aan de gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement. Het belastingtarief wordt jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat. De formule voor berekening die hierbij wordt toegepast: [huidig tarief] x [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat] / [gezondheidsindex (2013 = 100) van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit reglement]. Na indexering rondt de gemeente het tarief van de belasting af naar het dichtstbijzijnde veelvoud van euro.
Artikel 6. Vrijstellingen of verminderingen
§1. Van de belasting zijn vrijgesteld: woningen die fungeren als crisis- of noodwoning.
§2. Van de belastingen zijn uitgesloten:
Artikel 7. Inning en invordering
§1. De inning en invordering gebeurt overeenkomstig de procedure voorzien in het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, invordering en geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. De bepalingen inzake de verwijl- en moratoriuminteresten zijn op deze belasting van toepassing zoals betreffende de rijksbelastingen op de inkomsten.
§2. Invorderingsdocumenten worden door de gemeente in gesloten omslag toegezonden.
Als het gemeentebestuur voor een bepaalde belasting de eBox gebruikt om digitaal een invorderingsdocument ter beschikking te stellen en als de belastingplichtige de eBox activeerde, wordt dit invorderingsdocument echter uitsluitend via de eBox aangeboden. Het activeren van de eBox geldt als een uitdrukkelijke instemming met digitale aanbieding.
De digitale aanbieding, vermeld in het tweede lid, geldt als rechtsgeldige kennisgeving van dit invorderingsdocument en brengt dezelfde rechtsgevolgen tot stand als de verzending ervan in gesloten omslag. Van zodra de eBox niet meer geactiveerd is, wordt het invorderingsdocument in kwestie door het gemeentebestuur toegezonden overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 8. Aangifteplicht
§1. De belastingplichtige moet jaarlijks en ten laatste op 30 juni van het aanslagjaar een aangifte indienen bij het gemeentebestuur via de gemeentelijke webapplicatie, voorzien van de nodige bewijsstukken. Een belastingplichtige die géén aangifteformulier gekregen heeft, moet spontaan deze aangifte indienen bij de gemeente tegen laatste 30 juni van het aanslagjaar.
§2. Valt de uiterste indieningsdatum op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. De aangifte is laattijdig wanneer ze na de uiterste indieningsdatum is gepost of wanneer ze na de laatste nuttige dag wordt afgegeven tegen ontvangstbewijs. Als de aangifte digitaal verzonden wordt, geldt de datum van de verzending als datum van aangifte.
§3. Aan de belastingplichtige kan een ‘voorstel van aangifte’ verstuurd worden. De titel van dit document omschrijft duidelijk dat het om een ‘voorstel van aangifte’ gaat. Als de gegevens op dit voorstel onjuist of onvolledig zijn of niet overeenstemmen met de belastbare toestand op 1 januari van het aanslagjaar, moet de belastingplichtige ten laatste op 30 juni van het aanslagjaar, het voorstel verbeterd en vervolledigd terugsturen. Het tijdig teruggezonden en gecorrigeerde of aangevulde voorstel van aangifte, geldt in dat geval als aangifte.
Als de gegevens op dit voorstel overeenstemmen met de belastbare toestand op 1 januari van het aanslagjaar, is de belastingplichtige niet verplicht dit formulier tegen de voormelde indieningsdatum terug te sturen. In dat geval is automatisch aan de aangifteplicht voldaan en wordt de belasting gevestigd op basis van de gegevens vermeld op het toegestuurde ‘voorstel van aangifte’.
Artikel 9. Controle en onderzoek
De door het college van burgemeester en schepenen aangestelde personeelsleden, overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 30 mei 2008, zijn gemachtigd om vaststellingen te doen van feiten die aanleiding gaven tot het vestigen van de belasting.
Zij controleren onder andere de oprechtheid van de aangiften, met alle middelen waarvoor zij beschikken. De belastingplichtigen zijn verplicht deze controle te vergemakkelijken.
Zij zijn eveneens bevoegd elke inbreuk op het huidig reglement vast te stellen en moeten daarvoor toegang krijgen tot alle plaatsen waar de belastbare feiten plaats kunnen hebben.
Artikel 10. Ambtshalve belasting
§1. Als er een onvolledige, onjuiste of geen aangifte is gedaan voor de aangiftedatum, vermeld in artikel 6, kan de belastingplichtige ambtshalve worden belast, mits inachtneming van de in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 voorzien bepalingen.
§2. De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met 25%. In geen geval mag het verhoogd recht het dubbele van de verschuldigde belasting overschrijden. Beide bedragen worden gezamenlijk ingekohierd. De procedure van artikel 7 §4 van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen wordt voor wat betreft de belastingverhoging, gevolgd.
§3. Voor de belasting ambtshalve wordt gevestigd, brengt het college van burgemeester en schepenen de belastingplichtige met een aangetekende brief op de hoogte van de redenen waarom ze gebruik maakt van deze procedure, de elementen waarop de belasting is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van die elementen en het bedrag van de belasting.
Als de belastingplichtige ingestemd heeft met de digitale uitwisseling van fiscale berichten, met toepassing van artikel 7, is aan het vereiste van het aangetekend schrijven, vermeld in het voorgaande lid, voldaan als bewijs geleverd kan worden van het tijdstip van de digitale verzending.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de ontvangst van de kennisgeving, vermeld in het tweede lid van dit artikel, om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen. De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van verzending van de kennisgeving. Als de kennisgeving verzonden werd via digitale weg, geldt de datum van de verzending als datum van de kennisgeving.
Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om digitale berichten uit te wisselen, zoals de eBox, wordt de kennisgeving geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop de kennisgeving voor de belastingplichtige toegankelijk wordt.
Artikel 11. Bezwaren
§1. Op grond van het Decreet van 30 mei 2008 en volgens de daar beschreven voorwaarden kan tegen deze belasting een bezwaar ingediend worden bij het college van burgemeester en schepenen.
Het Decreet van 30 mei 2008 bepaalt dat het bezwaar schriftelijk moet worden ingediend, en ondertekend en gemotiveerd moet zijn. Het bezwaar moet worden ingediend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger.
Het bezwaarschrift wordt op straffe van verval ingediend binnen drie maanden vanaf de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet heeft ontvangen of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet digitaal verzonden werd, geldt de datum van verzending als datum van zijn verzending.
Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om digitale berichten uit te wisselen, zoals de eBox, wordt het aanslagbiljet geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop het aanslagbiljet voor de belastingplichtige toegankelijk wordt.
§2. Het bezwaarschrift moet ofwel schriftelijk ingediend worden (aangetekend of tegen ontvangstbewijs) ofwel digitaal op volgend e-mailadres: belastingen@sint-martens-latem.be . Het moet de naam, de hoedanigheid en het adres of de zetel van de belastingplichtige vermelden. Het moet ook het voorwerp van het bezwaarschrift en de motivatie samen met een opgave van de feiten en de middelen vermelden. Als de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger wil uitgenodigd worden op de hoorzitting moet dit in het bezwaarschrift worden gevraagd.
Artikel 12. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het belastingreglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286§1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Het decreet van 22 december 2017, in het bijzonder artikel 40 par. 3 en artikel 41 alinea 2-2°.
Het drinkwaterdecreet van 24 mei 2002, in het bijzonder de artikelen 16 bis tot 16 septies.
De omzendbrief LNE 2013/2 betreffende de aanwending van de gemeentelijke saneringsbijdrage en de gemeentelijke saneringsvergoeding.
De gemeente kiest ervoor om volgens het principe 'de gebruiker / vervuiler betaalt', de decretaal voorziene maximale verbruikstarieven toe te passen voor de saneringsbijdrage en -vergoeding. Daarom is in het Meerjarenplan 2026 - 2031 budgettair uitgegaan van de toepassing van de decretaal voorziene maximale tarieven voor de gemeentelijke saneringsbijdrage en -vergoeding, berekend door de tarieven voor de bovengemeentelijke saneringsbijdrage van het jaar te vermenigvuldigen met een vermenigvuldigingscoëfficiënt (momenteel 1,15).
Farys vraagt jaarlijks een principieel akkoord voor de gemeentelijke bijdrage. Het college wordt daarom gedelegeerd om Farys voor de periode 2026 - 2031 jaarlijks te bevestigen dat de decretaal voorziene maximale tarieven mogen worden toegepast.
Artikel 1. Voor de bepaling van de gemeentelijke saneringsbijdrage (drinkwaterklanten) en de gemeentelijke saneringsvergoeding (eigen waterwinning) worden de decretaal voorziene maximale verbruikstarieven toegepast over de periode 2026-2031.
Art. 2. De jaarlijkse bevestiging van de toepassing van de decretaal voorziene maximale verbruikstarieven aan Farys wordt gedelegeerd aan het college van burgemeester en schepenen.
Art. 3. Afschrift van dit besluit wordt verstuurd naar Farys.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder artikel 40 par. 1 en par. 3 en artikel 41 alinea 2 – 14°
De grondwet, in het bijzonder artikel 173.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
Retributiereglement fiscale en niet-fiscale ontvangsten.
De gemeente en haar burgers worden voortdurend geconfronteerd met de plaatsing van en/of onderhoud aan verschillende nutsvoorzieningen op gemeentelijk grondgebied.
Deze nutsvoorzieningen vergen werkzaamheden langs de gemeentelijke wegen en hebben aldus een impact op het openbaar domein.
De gemeente gaf goedkeuring aan de Code voor Infrastructuur- en Nutswerken langs gemeentewegen die tot doel heeft een snelle en vlotte uitvoering van de werken te bevorderen, teneinde de hinder en de duur van de werken tot een minimum te herleiden.
Deze Code werd opgemaakt door een overlegplatform bestaande uit een delegatie van nutsbedrijven en een delegatie van de gemeenten. Deze Code is geactualiseerd naar aanleiding van meer aandacht voor minder hinder, meer oog voor het totaal concept en het gebruik van nieuwe e-instrumenten GIPOD, KLIP...
Op het vlak van het onderhoud en de herstellingen moeten ook geregeld dringende werken worden uitgevoerd die verband houden met de continuïteit van de dienstverlening en daarnaast zijn er een aantal werken zoals aansluitingswerken, herstellingen en andere kleine onderhoudswerken die omzeggens constant een impact hebben op het openbaar domein.
Voor deze activiteiten wordt steeds een retributie toegepast. De retributie wordt voor de komende drie jaar geactualiseerd op het vlak van tarieven na overleg tussen een delegatie van nutsbedrijven en een delegatie van gemeenten.
Artikel 1. Algemeen
Er wordt aan de eigenaar van elke nutsvoorziening een retributie aangerekend op de gemeentelijke dienstverlening en het gebruik van het gemeentelijk openbaar domein naar aanleiding van werken aan permanente nutsvoorzieningen op het gemeentelijk openbaar domein, in uitvoering en met toepassing van de Code voor Infrastructuur- en Nutswerken langs gemeentewegen.
Permanente nutsvoorzieningen omvatten:
- alle installaties (zoals kabels, leidingen, buizen,…), inclusief hun aanhorigheden (zoals kabel-, verdeel-, aansluit-, e.a. kasten , palen, masten, toezichts-, verbindings-, e.a. putten…) dienstig voor het transport van elektriciteit, gas, gasachtige producten, stoom, drink-, hemel- en afvalwater, warm water, brandstof;
- alle trein- en tramsporen die zich bevinden op de openbare weg worden eveneens aanzien als nutsvoorzieningen.
De retributie is niet verschuldigd indien de werken worden uitgevoerd samen met of onmiddellijk voorafgaand aan wegen- of rioleringswerken uitgevoerd door de gemeente of indien het werken zijn die uitgevoerd worden op verzoek van de gemeente.
Deze retributie sluit elke andere heffing, semi-heffing, of waarborgstelling in het kader van werken aan permanente nutsvoorzieningen door de gemeente uit zowel in hoofde van de distributienetbeheerder als van haar werkmaatschappij en ongeacht of voorgenoemden deze werken uitvoeren in eigen naam, dan wel laten uitvoeren door derden in naam en voor rekening van de distributienetbeheerder of de werkmaatschappij.
Onderhavig retributiereglement gaat in vanaf 1 januari 2026 voor een termijn eindigend op 31 december 2028.
Artikel 2. Retributie naar aanleiding van sleufwerken
De retributie naar aanleiding van sleufwerken is verschuldigd per dag en per meter openliggende sleuflengte voor alle sleufwerken. Zij bedraagt per meter sleuflengte voor werken in rijwegen 10,24 euro, voor werken in voetpaden 7,88 euro en voor werken in aardewegen 4,73 euro.
Op deze basisbedragen wordt een indexatie toegepast, naar analogie met de door de VNR goedgekeurde niet-periodieke tarieven, zoals jaarlijks gepubliceerd in augustus. Indexatie gebeurt aan het begin van een nieuwe cyclus van 3 jaar.
Een begonnen dag geldt voor een volledige dag.
Artikel 3. Retributie voor dringende werken, aansluitingswerken, herstellingen, kleine onderhoudswerken en ter compensatie van diverse heffingen en belastingen
Voor de hinder veroorzaakt door de dringende werken, aansluitingswerken, herstellingen en kleine onderhoudswerken met een sleufoppervlakte van maximum 3 m², wordt per kalenderjaar een retributie geheven van 1,00 euro per op het grondgebied van de gemeente aanwezig aansluitingspunt.
Ter compensatie van diverse heffingen en belastingen in hoofde van zowel de distributienetbeheerder als zijn werkmaatschappij wordt een retributie voorzien van 0,50 euro per aanwezig aansluitingspunt op het grondgebied van de gemeente.
Op deze basisbedragen wordt een indexatie toegepast, naar analogie met de voor de VNR goedgekeurde niet-periodieke tarieven, zoals jaarlijks gepubliceerd in augustus.
Deze retributies zijn verschuldigd vóór het einde van ieder jaar. In dit kader doet iedere nutsmaatschappij vóór 15 december van ieder jaar opgave van het aantal aansluitingspunten op het grondgebied van de gemeente.
Artikel 4. Inning
De retributie dient te worden betaald binnen de 30 kalenderdagen na toezending van de facturen.
Artikel 5. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het retributiereglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 § 1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 41 2°
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Wet van 20 februari 2017 tot wijziging van artikel 298 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals gewijzigd, artikel 298 en 443bis, §3, 3°
Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van 13 april 2019.
Wet van 4 mei 2023 houdende invoeging van boek XIX “Schulden van de consument” in het Wetboek van Economisch Recht
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Decreet over het Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikel 177.
Het antwoord van minister Liesbeth Homans op de schriftelijke vraag nr. 207 van 15 januari 2018 van de heer Marnic De Meulemeester inzake een retributiereglement van lokale besturen op administratiekosten bij fiscale schuldvorderingen
De kostprijs van het debiteurenbeheer wil het lokaal bestuur in de mate van het mogelijke verhalen op de wanbetalers, zodat niet alle burgers moeten bijdragen aan de kosten die gemaakt moeten worden voor een (kleine) groep slechte betalers. Hierbij wordt gewaakt over de (wettelijke) doelstelling van bestrijding en voorkoming van armoede.
Als een burger die van goede wil is betalingsmoeilijkheden ondervindt, zal hij of zij steeds de kans krijgen om een betalingsregeling af te spreken.
De invorderingsprocedure mag niet leiden tot een opeenstapeling van kosten. De verzending van de schuldvordering gebeurt zonder aanrekening van kosten. Daarnaast zal een eerste niet-aangetekende aanmaning gratis worden verstuurd vooraleer een tweede en derde aanmaning worden verstuurd waar kosten aan verbonden zijn. In de volgende stappen van invordering (bevel tot betaling, derdenbeslag, hypothecaire inschrijving) worden administratieve kosten aangerekend bovenop de eventuele gerechtsdeurwaarderskosten en andere reële kosten.
Bij betaling worden eerst de administratiekosten aangezuiverd en vervolgens de hoofdsom van de schuldvordering.
Om de kans op invordering te maximaliseren wordt voorzien dat de financieel directeur indien nodig kan afwijken van deze procedure in een specifiek dossier.
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het retributiereglement ter invordering van fiscale ontvangsten bij de gemeente (2026-2031), zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 2. Dit reglement vervangt het retributiereglement fiscale en niet-fiscale ontvangsten, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 27 mei 2019.
Bijlage: Retributiereglement ter invordering van fiscale ontvangsten bij de gemeente (2026-2031)
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit retributiereglement wordt verstaan onder:
Artikel 2. Toepassingsgebied
§1. De gemeente heft een retributie voor de administratie- en aanmaningskosten verbonden aan de invordering van openstaande fiscale invorderingen bij de gemeente.
Dit retributiereglement is van toepassing op de fiscale ontvangsten bij de gemeente die worden geïnd vanaf 1 januari 2026.
§2. Het retributiereglement is geldig van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 3. Heffingsplichtige
De retributie is verschuldigd door de schuldenaar die de fiscale vordering niet betaalt binnen de wettelijk bepaalde vervaltermijn.
Artikel 4. Retributie
§1. De schuldenaar van fiscale ontvangsten wordt een wettelijke betalingstermijn van 2 maanden verleend, volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet. Hierbij wordt de aandacht gevestigd op de mogelijkheid en de wijze om een bezwaar in te dienen.
§2. Indien de schuldenaar niet betaalt binnen de betalingstermijn van 2 maanden wordt gratis een eerste aanmaning verstuurd met een betalingstermijn van 14 dagen, volgend op de datum van de eerste aanmaning.
§3. Indien de schuldenaar niet betaalt binnen de betalingstermijn van de eerste aanmaning, wordt een kost van 25 euro aangerekend voor de aangetekende verzending van een tweede aanmaning met een betalingstermijn van 14 dagen.
§4. Indien de schuldenaar niet betaalt binnen de betalingstermijn van de tweede aanmaning, wordt een kost van 30 euro aangerekend voor de aangetekende verzending van een derde aanmaning met een betalingstermijn van 14 dagen.
Gezien de beginselen van behoorlijk bestuur wordt bij het verzenden van deze laatste aangetekende aanmaning melding gegeven dat in de volgende fase een bevel tot betaling zal worden overgemaakt bij deurwaardersexploot indien het totaal openstaand bedrag niet wordt vereffend binnen voormelde termijn of de schuldvordering niet redelijk en gegrond wordt betwist.
§5. Indien een schuldenaar een afbetalingsplan krijgt en dit vervolgens niet nakomt, wordt hem een aanmaning gestuurd. Voor deze aanmaning wordt een kost van 25 euro aangerekend.
§6. Wanneer de schuldenaar na de derde aangetekende aanmaning niet overgaat tot betaling van de volledige schuld, kosten en intresten inbegrepen, kan de financieel directeur overgaan tot opmaak van een bevel tot betaling met het oog op betekening door een gerechtsdeurwaarder.
Bovenop de gerechtsdeurwaarderskosten wordt een administratieve kost van 35 euro aangerekend voor de opmaak van het bevel tot betaling en het overmaken van het dossier aan de gerechtsdeurwaarder.
§7. Indien na betekening van een bevel tot betaling de schuldenaar nog steeds in gebreke blijft, kan de financieel directeur volgende stappen nemen in gedwongen uitvoering en invordering. Hierbij wordt telkens de overeenstemmende kost opgegeven. Deze kost wordt aangerekend bovenop de eventuele gerechtsdeurwaarderskosten en reële kosten die op grond van de wettelijke regelingen worden doorgerekend aan de schuldenaar.
§8. Bovenstaande procedure bevat minimaal de vereiste stappen voor inning van ontvangsten. De financieel directeur kan naargelang het voorliggend dossier afwijken van deze procedure als de kans op invordering in het gedrang komt.
Artikel 5. Inning
§1. Bij betaling zullen eerst de volgens onderhavig retributiereglement aangerekende kosten aangezuiverd worden, en vervolgens de openstaande fiscale ontvangst.
§2. Als het gemeentebestuur voor een bepaalde belasting de eBox gebruikt om digitaal een invorderingsdocument ter beschikking te stellen en als de belastingplichtige de eBox activeerde, wordt dit invorderingsdocument echter uitsluitend via de eBox aangeboden. Het activeren van de eBox geldt als een uitdrukkelijke instemming met digitale aanbieding.
De digitale aanbieding geldt als rechtsgeldige kennisgeving van dit invorderingsdocument en brengt dezelfde rechtsgevolgen tot stand als de verzending ervan in gesloten omslag. Van zodra de eBox niet meer geactiveerd is, wordt het invorderingsdocument in kwestie door het gemeentebestuur toegezonden overeenkomstig artikel 4.
Artikel 6. Klachten en bezwaren
In geval van bezwaar op onderhavig retributiereglement wordt de gemeentelijke klachtenprocedure gevolgd.
Artikel 7. Opheffingsbepaling
Met de inwerkingtreding van dit retributiereglement wordt het besluit opgeheven van de gemeenteraad van 27 mei 2019 betreffende het retributiereglement fiscale en niet-fiscale ontvangsten.
Artikel 8. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het retributiereglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 § 1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 41 2°.
Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van 13 april 2019.
Wet van 4 mei 2023 houdende invoeging van boek XIX “Schulden van de consument” in het Wetboek van Economisch Recht.
Decreet over het Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikel 177.
Besluit van de gemeenteraad van 27 mei 2019 betreffende het retributiereglement fiscale en niet-fiscale ontvangsten.
De kostprijs van het debiteurenbeheer wil het lokaal bestuur in de mate van het mogelijke verhalen op de wanbetalers, zodat niet alle burgers moeten bijdragen aan de kosten die gemaakt moeten worden voor een (kleine) groep slechte betalers. Hierbij wordt gewaakt over de (wettelijke) doelstelling van bestrijding en voorkoming van armoede.
Als een burger die van goede wil is betalingsmoeilijkheden ondervindt, zal hij of zij steeds de kans krijgen om een betalingsregeling af te spreken.
De invorderingsprocedure mag niet leiden tot een opeenstapeling van kosten. De verzending van de schuldvordering gebeurt zonder aanrekening van kosten. Daarnaast zal een eerste niet-aangetekende aanmaning gratis worden verstuurd vooraleer een tweede en derde aanmaning worden verstuurd waar kosten aan verbonden zijn. In de volgende stappen van invordering (dwangbevel, derdenbeslag, hypothecaire inschrijving) worden administratieve kosten aangerekend bovenop de eventuele gerechtsdeurwaarderskosten en andere reële kosten.
Bij betaling worden eerst de administratiekosten aangezuiverd en vervolgens de hoofdsom van de schuldvordering.
Om de kans op invordering te maximaliseren wordt voorzien dat de financieel directeur indien nodig kan afwijken van deze procedure in een specifiek dossier.
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het retributiereglement ter invordering van niet-fiscale ontvangsten bij de gemeente (2026-2031), zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 2. Dit reglement vervangt het retributiereglement fiscale en niet-fiscale ontvangsten, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 27 mei 2019.
Bijlage: Retributiereglement ter invordering van niet-fiscale ontvangsten bij de gemeente (2026-2031)
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit retributiereglement wordt verstaan onder:
Artikel 2. Toepassingsgebied
§1. De gemeente heft een retributie voor de administratie- en aanmaningskosten verbonden aan de invordering van openstaande niet-fiscale invorderingen bij de gemeente.
Dit retributiereglement is van toepassing op de niet-fiscale ontvangsten bij de gemeente die worden geïnd vanaf 1 januari 2026.
§2. Het retributiereglement is geldig van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 3. Heffingsplichtige
De retributie is verschuldigd door de schuldenaar die de niet-fiscale vordering niet betaalt binnen de wettelijk bepaalde vervaltermijn.
Artikel 4. Retributie
§.1 De schuldenaar van niet-fiscale ontvangsten wordt een redelijke betalingstermijn van 30 dagen verleend, volgend op de datum van verzending van de niet-fiscale vordering. Hierbij wordt de aandacht gevestigd op de mogelijkheid tot betwisting, schriftelijk, redelijk gemotiveerd en binnen dezelfde termijn van 30 dagen.
In het geval van een lopend contract of een afbetaalplan geldt de afgesproken vervaldatum.
§2. Indien de schuldenaar niet betaalt binnen de betalingstermijn van 30 dagen wordt gratis een eerste aanmaning verstuurd per gewone post met een betalingstermijn van 14 dagen, volgend op de datum van de eerste aanmaning.
§3. Indien de schuldenaar niet betaalt binnen de betalingstermijn van de eerste aanmaning, wordt een kost van 25 euro aangerekend voor de aangetekende verzending van een tweede aanmaning met een betalingstermijn van 14 dagen.
§4. Indien de schuldenaar niet betaalt binnen de betalingstermijn van de tweede aanmaning, wordt een kost van 30 euro aangerekend voor de aangetekende verzending van een derde aanmaning met een betalingstermijn van 14 dagen.
Gezien de beginselen van behoorlijk bestuur wordt bij het verzenden van deze laatste aangetekende aanmaning melding gegeven dat in de volgende fase een dwangbevel zal worden overgemaakt bij deurwaardersexploot indien het totaal openstaand bedrag niet wordt vereffend binnen voormelde termijn of de schuldvordering niet redelijk en gegrond wordt betwist.
§5. Indien een schuldenaar een afbetalingsplan krijgt en dit vervolgens niet nakomt, wordt hem een aanmaning gestuurd. Voor deze aanmaning wordt een kost van 25 euro aangerekend.
§6. Wanneer de schuldenaar na de derde aangetekende aanmaning niet overgaat tot betaling van de volledige schuld, kosten en intresten inbegrepen, kan de financieel directeur overgaan tot opmaak van een dwangbevel met het oog op betekening door een gerechtsdeurwaarder.
Bovenop de gerechtsdeurwaarderskosten wordt een administratieve kost van 35 euro aangerekend voor de opmaak van het dwangbevel en het overmaken van het dossier aan de gerechtsdeurwaarder.
§7. Indien na betekening van een dwangbevel de schuldenaar nog steeds in gebreke blijft, kan de financieel directeur volgende stappen nemen in gedwongen uitvoering en invordering. Hierbij wordt telkens de overeenstemmende kost opgegeven. Deze kost wordt aangerekend bovenop de eventuele gerechtsdeurwaarderskosten en reële kosten die op grond van de wettelijke regelingen worden doorgerekend aan de schuldenaar.
§8. Bovenstaande procedure bevat minimaal de vereiste stappen voor inning van ontvangsten. De financieel directeur kan naargelang het voorliggend dossier afwijken van deze procedure als de kans op invordering in het gedrang komt.
Artikel 5. Inning
§1. Bij betaling zullen eerst de volgens onderhavig retributiereglement aangerekende kosten aangezuiverd worden, en vervolgens de openstaande niet-fiscale ontvangst.
§2. Als het gemeentebestuur voor een bepaalde retributie de eBox gebruikt om digitaal een invorderingsdocument ter beschikking te stellen en als de schuldenaar de eBox activeerde, wordt dit invorderingsdocument echter uitsluitend via de eBox aangeboden. Het activeren van de eBox geldt als een uitdrukkelijke instemming met digitale aanbieding.
De digitale aanbieding geldt als rechtsgeldige kennisgeving van dit invorderingsdocument en brengt dezelfde rechtsgevolgen tot stand als de verzending ervan in gesloten omslag. Van zodra de eBox niet meer geactiveerd is, wordt het invorderingsdocument in kwestie door het gemeentebestuur toegezonden overeenkomstig artikel 4.
Artikel 6. Klachten en bezwaren
In geval van bezwaar op onderhavig retributiereglement wordt de gemeentelijke klachtenprocedure gevolgd.
Artikel 7. Opheffingsbepaling
Met de inwerkingtreding van dit retributiereglement wordt het besluit opgeheven van de gemeenteraad van 27 mei 2019 betreffende het retributiereglement fiscale en niet-fiscale ontvangsten.
Artikel 8. Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het retributiereglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 § 1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder artikelen 41 3° en 249.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder artikelen 249 tot 256 en artikel 597;
Het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen;
Het Ministerieel Besluit van 26 juni 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen;
Omzendbrief BB 2013/7 van 6 september 2013 houdende digitale rapportering over de beleids- en beheerscyclus;
Omzendbrief KBBJ/ABB 2025/1 betreffende de strategische meerjarenplannen 2026-2031 van de lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus
Conform de omzendbrief is het meerjarenplan 2026-2031 opgesplitst in vier grote onderdelen: de strategische nota, de financiële nota, de toelichting en de documentatie.
De strategische nota omvat de beleidsverklaring, het overzicht met de beschrijving van de beleidsdoelstellingen en de prioritaire acties.
De financiële nota omvat het financieel doelstellingenplan (schema M1), de staat van het financieel evenwicht (M2) en het overzicht van de kredieten (M3).
De toelichting omvat het overzicht van de ontvangsten en uitgaven volgens beleidsdomein (T1) en volgens economische aard (T2), het overzicht van de financiële schulden (T3), het overzicht van de investeringen, het personeel, de verbonden entiteiten en de financiële risico's. Tenslotte valt de beschrijving van de grondslagen en assumpties hieronder.
De documentatie omvat de omgevingsanalyse, het overzicht van alle beleidsdoelstellingen, actieplannen en acties die in het meerjarenplan zijn opgenomen, het overzicht van de toegestane werkings- en investeringssubsidies, de beleidsdomeinen en bijhorende beleidsvelden, het overzicht van de jaarlijkse uitgaven en ontvangsten per beleidsveld en de jaarlijkse opbrengst per soort van belasting en retributie die het bestuur heft.
Uit de financiële nota blijkt dat het Meerjarenplan 2026-2031 financieel in evenwicht is. Het Meerjarenplan 2026-2031 omvat de beginkredieten 2026.
Artikel 249 van het decreet over het lokaal bestuur bepaalt: 'De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn stemmen over hun deel van elk beleidsrapport. Nadat de raden zo het beleidsrapport elk voor hun deel hebben vastgesteld, keurt de gemeenteraad het deel van het beleidsrapport zoals vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn goed. Door die goedkeuring wordt het beleidsrapport in zijn geheel geacht definitief vastgesteld te zijn.'
Artikel 1. Goedkeuring wordt verleend aan de strategische nota van het Meerjarenplan 2026-2031 - deel gemeente.
Art. 2. Goedkeuring wordt verleend aan de financiële nota bestaande uit:
Art. 3. Akte wordt genomen van de toelichting en de documentatie bij het meerjarenplan.
Art. 4. Het besluit houdende vaststelling van het Meerjarenplan 2026-2031 wordt samen met de verplichte bijlagen binnen de 20 dagen overgemaakt aan de provinciegouverneur. De digitale rapportering van de vastgestelde beleidsrapporten gebeurt via het digitaal loket van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder artikelen 41, 3° en 249 § 3.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder artikelen 249 tot 256 en artikel 597;
Het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen;
Het Ministerieel Besluit van 26 juni 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen;
Omzendbrief BB 2013/7 van 6 september 2013 houdende digitale rapportering over de beleids- en beheerscyclus;
Omzendbrief KBBJ/ABB 2025/1 betreffende de strategische meerjarenplannen 2026-2031 van de lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus
Zoals bepaald in artikel 249 §3 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, keurt de gemeenteraad het deel van het beleidsrapport zoals vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn goed. Door die goedkeuring wordt het beleidsrapport in zijn geheel geacht definitief vastgesteld te zijn.
Artikel 1. Goedkeuring wordt verleend aan de strategische nota van het Meerjarenplan 2026-2031 - deel OCMW.
Art. 2. Goedkeuring wordt verleend aan de financiële nota bestaande uit:
Art. 3. Akte wordt genomen van de toelichting en de documentatie bij het meerjarenplan.
Art. 4. Het besluit houdende vaststelling van het Meerjarenplan 2026-2031 wordt samen met de verplichte bijlagen binnen de 20 dagen overgemaakt aan de provinciegouverneur. De digitale rapportering van de vastgestelde beleidsrapporten gebeurt via het digitaal loket van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 40.
Het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden;
De Verordening (EU) nr. 2016/679, 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (hierna “AVG”);
De camerawet van 21/03/2007 (Wet tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's) (kaderwet), gewijzigd door de wet van 21 maart 2018, art. 5, §2 (vaste bewakingscamera) art. 5, §2/1 (tijdelijke vaste bewakingscamera);
Het KB 8 mei 2018 (Koninklijk besluit betreffende de aangiften van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera’s en betreffende het register van de beeldverwerkingsactiviteiten) (aanmelding bestaande en nieuwe bewakingscamera’s via www.aangiftecamera.be);
Het KB 28 mei 2018 tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 10 februari 2008 tot vaststelling van de wijze waarop wordt aangegeven dat er camerabewaking plaatsvindt;
De Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, BS 5 september 2018;
De Wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, BS 1 juli 2013, o.m. gewijzigd bij Wet van 11 december 2023 (hierna de “GAS-wet”).
De Ministeriële Omzendbrief van 10 december 2009 betreffende de Wet van 21 maart 2007, gewijzigd door de Ministeriële Omzendbrief van 13 mei 2011.
De wettelijke bepalingen omtrent camerabewaking zoals beschreven in het aanvraagdossier.
Het college verleende een gunstig advies op 12 april 2021 wat betreft de camerabewaking op de hierboven vermelde locaties zoals glasbolsites en hotspots van zwerfvuil en sluikstort.
De korpschef van de lokale politiezone Schelde - Leie verleende een positief advies op 25 november 2025.
IVM (Intergemeentelijke opdrachthoudende Vereniging voor huisvuilverwerking Meetjesland) doet een voorstel om ‘tijdelijk’ vaste camera’s te plaatsen op het grondgebied van Sint-Martens-Latem, teneinde de strijd tegen sluikstorten en zwerfvuil aan te pakken.
IVM stelde een voorbereidend dossier samen op datum 4 november 2025, opgesteld conform de bepalingen van de Ministeriële Omzendbrief betreffende de Wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's, art. 2.1 (deze Omzendbrief wordt niet opgeheven na de wetswijzigingen van 2018); bij dit voorbereidend dossier wordt tevens een Gegevensbeschermingseffectbeoordeling gevoegd (in uitvoering van art 35.1 AVG) door het bestuur.
De camera’s worden geplaatst aan glasbollen en op ‘hotspots’ waar zwerfvuil en sluikstort frequent worden vastgesteld.
Het plaatsen van deze tijdelijk vaste (verplaatsbare) camera’s hebben volgend doel:
- Afschrikken van potentiële daders;
- Voorkomen, vaststellen en bewijzen verzamelen van overlast;
- Verschaffen van informatie die de politie in staat stelt bedoelde overlast en misdrijven op te sporen en te vervolgen;
- Verhogen pakkans van de daders van die misdrijven bij de bestrijding van zwerfvuil en sluikstorten;
- Daders, verstoorders van de openbare orde, getuigen of slachtoffers opsporen en identificeren;
- Optimaliseren van de ingezette preventieve maatregelen;
IVM treedt op als verwerker van de beelden en zal instaan voor:
- Het plaatsen van de camera’s
- Het bekijken en verwerken van de beelden, handelend onder verantwoordelijkheid van de gemeente (verwerkingsverantwoordelijke) en overeenkomstig de GAS-wet
- Het opmaken van een GAS-dossier waar mogelijk of overmaken van de beelden aan de lokale politie indien nodig
De afspraken hieromtrent tussen het lokaal bestuur, de lokale politie en IVM worden verankerd in een overeenkomst.
De gemeente dient een verwerkingsovereenkomst af te sluiten met de verwerker (IVM) conform artikel 28.3 AVG.
De gemeenteraad dient een positief advies te formuleren conform artikel 5§2/1 van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera’s, zoals gewijzigd bij Wet van 12 november 2009, 3 augustus 2012, 4 april 2014 en 21 maart 2018.
De verwerker (IVM) zal elektronisch aangifte doen via www.aangiftecamera.be en een register van de beeldverwerkingsactiviteiten bijhouden zoals opgelegd door de AVG. Hij zal dit doen uiterlijk de dag vóór de camera’s in gebruik worden genomen. IVM bezorgt na eerste aangifte en na elke jaarlijkse vernieuwing gedateerd bewijs hiervan aan de verwerkingsverantwoordelijke en zal het register bijhouden en ter beschikking houden van de verwerkingsverantwoordelijke.
Artikel 1: De gemeenteraad verleent een gunstig advies voor de plaatsing van ‘tijdelijk’ vaste camera’s op niet-besloten plaatsen door de intergemeentelijk opdrachthoudende vereniging voor huisvuilverwerking Meetjesland voor een geldigheidsduur tot en met 31/12/2031 _____________
Artikel 2: De gemeenteraad keurt volgend reglement (zie bijlage 2), over het gebruik van de ‘tijdelijke’ vaste camera’s op een niet-besloten plaats, goed:
Art 2.1 Doel van de verwerking van de beelden
Voorkomen, vaststellen en bewijzen verzamelen omtrent sluikstort en zwerfvuil bij de glasbollen en op hotspots. De hotspots worden bepaald door de gemeente, eventueel in overleg met de lokale politie. Dit zijn plaatsen waar er hinder is van sluikstort en/of zwerfvuil. Aan de hand van de beelden informatie verschaffen aan de politie of sanctionerend ambtenaar zodat de daders kunnen opgespoord en geïdentificeerd worden.
Art 2.2 Welke beelden worden opgenomen
De verwerking van de beelden bevat uitsluitend gegevens over bezoekers van de onmiddellijke omgeving van de camera’s.
De ‘tijdelijke’ vaste bewakingscamera’s worden geplaatst op locaties waar er overlast is van zwerfvuil en/of sluikstort.
Bewakingscamera’s mogen in geen geval beelden opleveren die de intimiteit van een persoon schenden of gericht zijn op het inwinnen van informatie over de filosofische, religieuze, politieke, syndicale gezindheid, etnische of sociale origine, het seksuele leven of de gezondheidstoestand.
Art. 2.3 Wijze van verkrijgen
De beelden dienen van zodanige kwaliteit te zijn dat personen en voertuigen dag en nacht kunnen geïdentificeerd worden.
De gegevens verkregen van de bewakingscamera’s zullen niet in real-time bekeken worden maar na het verkrijgen van de opnames. De opnames zullen slechts bekeken worden na het vaststellen van een sluikstort of de aanwezigheid van zwerfvuil.
Art 2.4 Informatieplicht
Elk heimelijk gebruik van vaste bewakingscamera’s is verboden.
Een plaats betreden waar een pictogram aangeeft dat er vaste camerabewaking plaatsvindt, geldt als voorafgaandelijke toestemming. De zone onder cameratoezicht wordt gesignaleerd met aangepaste signalisatie (pictogrammen) ter hoogte van de invalswegen van de gemeente __________. De pictogrammen bevatten alle wettelijk verplichte mededelingen.
Art. 2.5 Inzagerecht
Iedere gefilmde persoon heeft het recht op toegang tot de beelden (Art. 12 van de Camerawet en art. 15 van de AVG). Dit recht kan natuurlijk slechts uitgeoefend worden indien de beelden werden opgeslagen en bewaard. Wie toegang wenst tot zijn gegevens richt hiertoe een verzoek aan de verantwoordelijke voor de verwerking. De aanvraag moet vergezeld zijn van voldoende gedetailleerde vermeldingen teneinde de juiste plaats van de gegevens in de opname te kunnen lokaliseren (datum, uur, juiste plaats). De privacy van derden die zichtbaar zijn op de film dient beschermd te worden en de belangen van de veiligheid dienen afgewogen te worden.
Art. 2.6 Verwijdering en vernietiging gegevens
De beelden worden niet langer bijgehouden dan strikt noodzakelijk, dit met een maximum van 1 maand. (Art. 5 §4, 4e lid van de Camerawet)
Alleen in het geval de gegevens noodzakelijk zijn voor een onderzoek van de politie of sanctionerend ambtenaar en moeten dienen als bewijsmateriaal tijdens een rechtszitting, indien beelden een bijdrage kunnen leveren tot het bewijzen van een misdrijf, van schade, van overlast of het identificeren van een dader, een verstoorder van de openbare orde, een getuige of slachtoffer, kunnen gegevens langer bewaard worden. In dat geval geldt dat de exports / screenshots van de betreffende beelden en de ermee verband houdende vaststelling ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke voor een maximumtermijn van één (1) jaar worden bewaard, tenzij de verwerkingsverantwoordelijke schriftelijk andere instructies zou geven.
Na de gestelde bewaarduur worden de beelden vernietigd.
Art. 2.7 Veiligheid van de verwerking
De verantwoordelijke voor de verwerking en de door hem ingeschakelde verwerker(s) alsook de personen die onder zijn gezag vallen, moeten alle nodige voorzorgsmaatregelen nemen om te vermijden dat onbevoegden toegang krijgen tot de beelden. Zij zijn gebonden door de discretieplicht.
De verantwoordelijke voor de verwerking en de door hem ingeschakelde verwerker(s) moeten gepaste algemene veiligheidsmaatregelen nemen ten opzichte van bestaande risico’s[1]. De juistheid van de verwerkte gegevens dient geverifieerd te worden (o.a. door middel van codering van de gegevens, toegang te koppelen aan een paswoord en dergelijke). Ook elk ander risico voor de gegevens dient voorkomen te worden (diefstal, uitwissing, risico op gebruik voor andere doeleinden).
Er worden enkel gegevens verstrekt aan de politie en de gerechtelijke overheden. In het kader van de opmaak van een bestuurlijk verslag kunnen de gegevens ook verstrekt worden aan de sanctionerend ambtenaar. IVM, handelend als verwerker, werkt daarbij zoveel als mogelijk op beveiligde digitale wijze; daarvoor werd eveneens een gegevensbeschermingseffectbeoordeling opgesteld.
Teneinde te waarborgen dat de verwerker(s) afdoende garanties biedt(/en) met betrekking tot het toepassen van passende technische en organisatorische maatregelen opdat de verwerking aan de vereisten van de AVG voldoet en de bescherming van de rechten van de betrokkene is gewaarborgd, sluit de verantwoordelijke voor de verwerking met de verwerker(s) (een) verwerkingscontract(en) conform artikel 28 van de AVG[2].
Art. 2.8 Verantwoordelijke voor de verwerking
De verantwoordelijke voor de verwerking is diegene die de doeleinden en de middelen bepaalt. Dit kan een natuurlijke persoon, een rechtspersoon, een feitelijke vereniging of een openbaar bestuur zijn. De identificatie van de verantwoordelijke voor de verwerking is belangrijk aangezien hij moet waken over de naleving van de wet en moet fungeren als contactpersoon voor controleoverheden en personen die hun recht op toegang wensen uit te oefenen. De verwerkingsverantwoordelijke die de beslissing neemt om één of meerdere tijdelijke vaste bewakingscamera's te plaatsen in een niet-besloten plaats kan alleen maar een openbare overheid zijn[3].
De verantwoordelijke voor de verwerking hoeft de verwerking niet zelf te verrichten, hij kan daarvoor beroep doen op een verwerker. Dit is iemand anders die de concrete verwerking in opdracht van de verantwoordelijke verricht.
De verantwoordelijke voor de verwerking voor een niet-besloten plaats moet, voorafgaand aan de plaatsing van de bewakingscamera’s, een positief en gemotiveerd advies krijgen van de gemeenteraad van de gemeente waar de plaats zich bevindt nadat deze eerst de korpschef geraadpleegd heeft.
Verantwoordelijke voor de verwerking : Gemeente ________________ – Adres: _________________________ – Email ____________________ - Telefoon: _________________
Art. 2.9 Verwerking & toegang tot de beelden
Rechtstreekse toegang tot de beelden hebben uitsluitend en slechts binnen het kader van de hun opgedragen werkzaamheden:
De vaststellers GAS-overtreding in dienst van het intergemeentelijk samenwerkingsverband IVM – Sint-Laureinsesteenweg 29 – 9900 Eeklo – handhaving@ivmmilieubeheer.be
De databank en de verwerking situeren zich op het adres: Sint-Laureinsesteenweg 29 te 9900 Eeklo
Deze personen hebben een discretieplicht (Art. 9 camerawet) omtrent de persoonsgegevens die de beelden opleveren. Er wordt over gewaakt dat onbevoegde personen geen toegang hebben tot het systeem.
De beelden moeten een waarmerk bevatten om de echtheid ervan te garanderen. De gegevens mogen op geen enkele wijze bewerkt worden.
Art. 2.10 Aangifte van de bewakingscamera
De Intergemeentelijke opdrachthoudende vereniging verklaart hierbij de aangifte te zullen doen van de bewakingscamera’s via het elektronisch loket www.aangiftecamera.be (FOD Beleid en Ondersteuning) en dit jaarlijks te zullen hernieuwen.
IVM bezorgt een gedateerd bewijs hiervan aan de verwerkingsverantwoordelijke. Het bewijs neemt de vorm aan van de elektronische bevestiging van de aangifte zoals door het aangiftesysteem gegenereerd, bij gebreke waarvan (bv. bij technische malfunctie) een screenshot van de aangifte zal worden genomen.
Art. 2.11 Register van de beeldverwerkingsactiviteiten
De Intergemeentelijke opdrachthoudende vereniging zal als verwerker instaan voor het bijhouden en actualiseren van het register van de beeldverwerkingsactiviteiten. Teneinde de verwerkingsverantwoordelijke toe te laten haar wettelijke verplichtingen na te komen, zal IVM dit register te allen tijde ter beschikking houden van de verwerkingsverantwoordelijke en kan de verwerkingsverantwoordelijke te allen tijde een geactualiseerd afschrift van het register opvragen bij IVM.
Het register zal een elektronisch formaat aannemen. Dit zal ter beschikking gesteld worden wanneer de gegevensbeschermingsautoriteit hierom vraagt. De politiediensten kunnen eveneens vragen om toegang te hebben tot dit register.
Artikel 3: De gemeenteraad keurt de overeenkomst met de intergemeentelijk opdrachthoudende vereniging voor huisvuilverwerking Meetjesland en de lokale politie inzake het plaatsen van tijdelijk vaste camera’s goed. (zie bijlage 4)
Artikel 4: De gemeenteraad wijst de Intergemeentelijke opdrachthoudende Vereniging voor Huisvuilverwerking Meetjesland (IVM) aan, waarvan de personeelsleden bevoegd zijn om voor de gemeente __________ vaststellingen te doen welke uitsluitend kunnen bestraft worden met een gemeentelijke administratieve sanctie en die vallen onder de bevoegdheden inzake zwerfvuil en sluikstort zoals omschreven in het/de huidige artikel(s) ___________________van het ___________-reglement van dd. ../../../.. (hetzij, in geval van wijziging, enige latere rechtsgrond waarin diezelfde bepaling is opgenomen).
Artikel 5: De gemeente _____________ sluit met elke verwerker een verwerkingscontract af overeenkomstig de wettelijke bepalingen, voordat de verwerking aanvangt.
[1] Overeenkomstig artikel 19/1 van de GAS-wet.
[2] AVG = VERORDENING (EU) 2016/679 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
[3] Artikel 5 §2/1, leden 1 en 2 van de Wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder artikel 40.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 2 §2.
Het lokaal bestuur pleit reeds tientallen jaren voor de aanleg van veilige fietspaden langs de N437 (Klapstraat) en stond als opdrachtgevend bestuur in 1996 in voor de realisatie van fietspaden in het deel tussen de rotonde aan de N43 en de spoorwegovergang. Ondanks alle geleverde inspanningen over de jaren heen en alhoewel het onteigeningsplan reeds ter ondertekening ligt werd de aanleg van het ontworpen fietspad in het deel voorbij de spoorwegovergang tot en voorbij de grens met de gemeente Nazareth-De Pinte niet opgenomen in het ontwerp 'Geïntegreerd Investeringsprogramma Mobiliteit en Openbare Werken' van de Vlaamse overheid. Met de goedkeuring van een motie ijvert het lokaal bestuur voor de opname van van het fietspadenproject langs de N437 (Klapstraat).
Artikel 1. Goedkeuring wordt verleend aan de motie met betrekking tot het ontwerp 'Investeringsprogramma Mobiliteit en Openbare Werken' en de realisatie van vrijliggende fietspaden langs de N437 (Klapstraat).
Art. 2. De motie wordt als bijlage toegevoegd aan onderhavig besluit.
Bijlage: Motie met betrekking tot het ontwerp 'Geïntegreerd Investeringsprogramma Mobiliteit en Openbare Werken' en de realisatie van vrijliggende fietspaden langs de N437 (Klapstraat).
Aanleiding.
De Klapstraat is de gewestweg N437 die de verbinding maakt tussen de rotonde (Xavier De Cocklaan, Pontstraat komende van Sint-Martens-Leerne, Klapstraat in Deurle) en de rotonde in het centrum van Nazareth-De Pinte. Een deel van de Klapstraat tussen de rotonde in Deurle en de spoorwegovergang beschikt reeds over een aangelegd gescheiden fietspad in beide richtingen.
Aanleiding van onderhavige motie is de recente bekendmaking van het ‘Geïntegreerd Investeringsprogramma Mobiliteit en Openbare Werken’ onder de titel ‘Investeren voor een warm en welvarend Vlaanderen’.
Ondanks een lange voorgeschiedenis en eerder genomen engagementen door de verschillende betrokken partijen werd de aanleg van een veilig fietspad langs de N437 tussen spoorweg op het grondgebied Sint-Martens-Latem (deelgemeente Deurle) en centrum van Nazareth-De Pinte (kmpt. 14,967) niet opgenomen in dit investeringsprogramma. ). Het traject behoort tot het BFF (bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk). Het ontbreken van een veilig fietspad zorgt voor een levensgevaarlijke situatie voor de zwakke weggebruiker.
Historiek in vogelvlucht.
Reeds in 1985 wordt in een brief van het toenmalige ‘Wegenfonds, directie der Provincie Oost-Vlaanderen’ gemeld dat de ‘dienst voorstander is om in een eerste fase de moderniseringswerken, o.a. fietspaden, uit te voeren van het vak gelegen tussen RW14 en de grens met Nazareth’.
1996: aanleg riolering (gemeente) en fietspaden (Administratie Wegen en Verkeer in de Klapstraat – deel 1 tussen N43 en spoorweg
2007: gemeenteraadsbesluit 26 november 2007 houdende goedkeuring samenwerking met de gemeente voor realisatie van een fietspadenproject langs N437 met het gemeentebestuur als opdrachtgevend bestuur.
2010 gemeenteraadsbesluit 22 februari 2010 houdende goedkeuring koepelmodule 44048/3 met module 13a en module 17b.
2011 – 19 januari: persmededeling ‘Minister Crevits keurt aanleg fietspaden tussen Deurle en Nazareth goed’
2011: Opmaak engagenmentsverklaring Aquafin participatie project Klapstraat.
2012: coördinatievergadering 28 maart: er wordt gesteld dat het de bedoeling is om alle werken (fietspaden, riolering, stelsel Biezenstraat in Deinze) in 1 dossier te omvatten. De timing van het begin van de werken hangt voor een groot stuk af van de onteigeningen. 2014 wordt als richtwaarde naar voren geschoven. Op dat moment zijn de betrokken partijen: Nazareth, SML, Deinze, TMVW, Aquafin en AWV.
2013: opmaak plannen door studiebureau Lobelle.
2014: Gemeenteraad 22 december 2014 goedkeuring subsidieaanvraag
2024 – 15 april: de gemeente roept een overleg samen met AWV en Infrabel om stand van zaken van de werken te kennen. AWV bevestigt dat onteigeningsdossier klaar is en enkel moet ondertekend worden. Ze voorzien verwervingen vanaf medio 2026, start werken ten vroegste 2027. Infrabel voorziet de bouw van de brug ten vroegste in 2028, en stelt voor beide dossiers niet te koppelen, omwille van timing en omwille van mogelijke reactie van inwoners op dit project, en de gevolgen hiervan voor project Klapstraat
2024 – oktober: bevestiging door AWV dat onteigeningsbesluit bij de minister ligt ter ondertekening.
2025 – februari en september: bevestiging dat project nog steeds ter ondertekening bij de minister ligt, maar staat on hold.
Argumenten
De Vlaamse overheid pleit voor de aanleg van veilige fietspaden. In dit verband wordt verwezen naar:
- Beleidsnota 2024 – 2029. Mobiliteit en Openbare Werken (Minister Annick De Ridder) – pagina 16 - OD 2.3. Een sterk fietsbeleid.
- het ‘Geïntegreerd Investeringsprogramma Mobiliteit en Openbare Werken’ zelf – pagina 31 – 2.4.2. Investeringen in duurzaam personenvervoer en modal shift (Fietsinvesteringen).
- Het regionaal mobiliteitsplan van de Vervoerregio Gent waarin wordt gepleit voor veilige fietsinfrastructuur langs verkeersassen (pagina 98). 20231221_RegionaalMobiliteitsplan_VervoerregioGent_def_print_oqpywc.pdf
- Het project Ruilverkaveling Schelde – Leie waarin wordt voorzien in de aanleg van fietspaden, waaronder het fietspad in de Klapstraat. Op de website van de Vlaamse Landmaatschappij is het volgende te lezen: ‘De vrijliggende fietspaden langs de Klapstraat zullen worden uitgevoerd door de afdeling Wegen en Verkeer van het departement mobiliteit en openbare werken.’ (Zie FIETSPADEN | Vlaamse Landmaatschappij en bijlage 1)
- Het bovenlokaal functioneel fietsnetwerk Fietsroutekaarten
De verschillende betrokken besturen hebben zich reeds lang geëngageerd voor de realisatie van veilige fietspaden langs de N437. In het bijzonder de lokale besturen Sint-Martens-Latem en Nazareth – De Pinte hebben reeds jaren inspanningen geleverd om het dossier mogelijk te maken, maar komen geen stap verder zonder de noodzakelijke medewerking van de Vlaamse overheid.
Op dit traject dienen ook nog rioleringen te worden aangelegd. De uitvoering van deze rioleringswerken, gecombineerd met de aanleg van vrijliggende fietspaden, draagt ook tot de verhoging van de riolerings- en zuiveringsgraad.
De aanleg van vrijliggende fietspaden op dit traject verhoogt de fietsvriendelijke bereikbaarheid van fietssnelweg F7 en maakt bovendien een fietsvriendelijke verbinding mogelijk tussen fietssnelweg F7 richting Gent en Deinze, en fietssnelweg F45 richting Oudenaarde.
Het voortdurend uitstelgedrag van de Vlaamse overheid heeft niet alleen negatief effect op de veiligheid van de zwakke weggebruiker maar vraagt van het lokaal bestuur steeds nieuwe aanpassingen van de (verplichte) meerjarenplannen wat, gelet op de belangrijke eigen financiële inbreng, een ernstig financieel beleid moeilijk tot onmogelijk maakt.
Er kan geen twijfel bestaan over de noodzaak van een veilige fietsverbinding langs de N437 waarvoor de plannen klaar zijn. Als lokaal bestuur willen we dan ook alle middelen inzetten om te komen tot een snelle realisatie.
Als lokaal bestuur roepen we de Minister van Mobiliteit en het Agentschap Wegen en Verkeer op om voor de aanleg van een veilige fietsverbinding langs de N437 tussen Sint-Martens-Latem (Deurle) en Nazareth – De Pinte (Nazareth zo snel mogelijk de nodige budgetten vrij te maken, zodat dit dossier kan worden heropgestart..
Besluit
Artikel 1 De gemeenteraad van Sint-Martens-Latem vraagt de Vlaamse Minister van Mobiliteit en Openbare Werken, de Administrateur-Generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer en het afdelingshoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer Oost Vlaanderen om, ten einde de werken te kunnen aanvatten in ten laatste 2028:
- De aanleg van vrijliggende fietspaden langs de N437 op het grondgebied van Sint-Martens-Latem en Nazareth De Pinte op te nemen in het 'Geïntegreerd Investeringsprogramma Mobiliteit en Openbare Werken' met de daar bijhorende budgetten.
- Het voorbereide dossier voor de noodzakelijke onteigeningen goed te keuren en de procedure verder te zetten.
- In samenspraak met alle betrokken besturen de plannen voor de aanleg van de fietspaden en de bijhorende werken zoals riolering, beplanting e.a. verder uit te werken en te finaliseren.
Artikel 2 – De gemeenteraad sluit zich hiermee aan bij de motie van de gemeenteraad van de gemeente Nazareth (opdrachtgevend bestuur) zoals goedgekeurd op 29 maart 2021 en de motie goedgekeurd in de gemeenteraadszitting van Sint-Martens-Latem op 26 april 2021.
Het stadsbestuur van Deinze, TMVW/Farys en de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen worden gevraagd om deze oproep ook te ondersteunen.
Artikel 3 - Een afschrift van dit besluit wordt bezorgd aan:
FIETSPADEN
Het landschapsplan voorziet heel wat inrichtingsmaatregelen zoals de aanleg van nieuwe ontsluitingswegen voor de landbouwpercelen, de aanleg van bufferstroken langs waterlopen, beplantingswerken of waterbeheersingswerken en de aanleg van fietspaden. In het kader van de ruilverkaveling Schelde-Leie worden 8 nieuwe fietspaden aangelegd, waarvan 7 fietspaden worden uitgevoerd door het ruilverkavelingscomité. De vrijliggende fietspaden langs de Klapstraat zullen worden gerealiseerd door het Agentschap Wegen en Verkeer van het departement Mobiliteit en Openbare Werken.
Deze fietspaden zullen worden uitgevoerd in verschillende uitvoeringsdossiers. Het landschapsplan voorziet in de aanleg van 8 fietspaden, waarvan 7 fietspaden worden uitgevoerd door het ruilverkavelingscomité. De vrijliggende fietspaden langs de Klapstraat zullen worden uitgevoerd door de afdeling Wegen en Verkeer van het departement mobiliteit en openbare werken.
Figuur: aanduiding fietspaden
Het plangebied van de ruilverkaveling Schelde-Leie wordt doorkruist door 2 fietssnelwegen: F7 tussen Gent en Kortrijk en de F45 tussen Gent en Oudenaarde. De fietspaden 1, 2, 3, 4, 5 en 7 (hieronder beschreven) maken onderdeel uit van het Bovenlokaal of Lokaal Functioneel Fietsroutenetwerk (BFF of LFF).
Hierdoor kan het ruilverkavelingscomité beroep doen op subsidies vanuit het Fietsfonds.
Het landschapsplan van de ruilverkaveling Schelde-Leie voorziet in de aanleg van 7 veilige fietspaden door het ruilverkavelingscomité.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder artikel 40, §1.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder deel 3 - titel 3 over de intergemeentelijke samenwerking.
Er vonden in 2025 4 raden van bestuur plaats van de intergemeentelijke projectvereniging Cultuurregio Leie Schelde:
- 21 maart Kruisem
- 23 mei Eke
- 24 juni
- 30 september Sint-Martens-Latem
De verslagen van deze raden van bestuur worden ter kennisgeving voorgelegd aan de Gemeenteraad en zijn te vinden als bijlage bij dit besluit.
Artikel 1. Er wordt kennis genomen van de verslagen van de raad van bestuur van Cultuurregio Leie Schelde van het volledige jaar 2025.
Art. 2. Afschrift van dit besluit wordt gestuurd naar de intergemeentelijke projectvereniging Cultuurregio Leie Schelde.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 (artikel 41).
De inwoners en het lokaal bestuur van Sint-Martens-Latem zijn prioritaire belanghebbenden bij een goede werking en positieve uitstraling van het museum Dhondt-Dhaenens. Omgekeerd draagt het museum bij tot het culturele imago van de gemeente.
Het lokaal bestuur en het museum willen zich inzetten voor een harmonieuze interactie en samenwerking waar beide partijen en alle belanghebbenden de vruchten van plukken. Zij zijn bereid elkaar bij te staan in de realisatie van de respectieve doelstellingen.
Het charter omschrijft zeven principes voor de samenwerking en fungeert als referentietekst waarop concrete afspraken en acties kunnen worden gestoeld en de gedragslijnen van beide partijen kunnen worden afgestemd en getoetst.
Het gemeenschappelijk doel is een positieve bijdrage te leveren aan de cultuurparticipatie in Sint-Martens-Latem.
Het charter is een intentieverklaring per legislatuur van het lokaal bestuur wordt vernieuwd en die aangegaan wordt tot 31 december van het jaar volgend op het einde van de legislatuur.
De intentieverklaring heeft een financiële impact op het lokaal bestuur Sint-Martens-Latem, met name de toekenning van de jaarlijkse subsidie aan MDD vanaf 1 januari 2026.
De financieel directeur gaf visum op 27/11/2025 met visumnummer 2025/11.229
Er wordt budget voorzien op GBB/0700-99/649900/GEMEENTE/CBS/IP-GEEN
Gunstig visum 2025/11.229 van Financiële dienst van 27 november 2025
Artikel 1. De gemeenteraad keurt het charter tussen het lokaal bestuur en Stichting mevrouw Jules Dhondt-Dhaenens goed.
Art. 2. Het charter wordt als bijlage bij dit besluit gevoegd.
Art. 3. De gemeenteraad belast het college van burgemeester en schepenen met de uitvoering van het besluit, waaronder de toelage aan Museum Dhondt-Dhaenens vanaf 2026.
BIJLAGE: Charter partnerschap lokaal bestuur Sint-Martens-Latem en Stichting mevrouw Jules Dhondt-Dhaenens.
Het charter wordt opgemaakt tussen en ondertekend door lokaal bestuur Sint-Martens-Latem en Stichting mevrouw Jules Dhondt-Dhaenens.
Het lokaal bestuur Sint-Martens-Latem wordt vertegenwoordigd door de burgemeester en de algemeen directeur.
Stichting mevrouw Jules Dhondt-Dhaenens wordt vertegenwoordigd door de voorzitter van de Raad van Bestuur. De dagelijkse leiding wordt opgenomen door de directeur.
De Stichting mevrouw Jules Dhondt-Dhaenens is eigenaar van het terrein aan de Museumlaan met het museum Dhondt-Dhaenens, verder soms kortweg MDD genoemd, de beeldentuin en de Wunderkammer. Daarnaast is de stichting erfpachthouder van de Woning Van Wassenhove, Brakelstraat 50 9830 Sint-Martens-Latem.
Het Museum Dhondt-Dhaenens, gelegen in de museumwijk van Sint-Martens-Latem, getuigt van het belangrijke artistieke verleden van de Leiestreek en opent te gelijker tijd een blik op de hedendaagse visuele kunsten uit binnen- en buitenland.
Het museum trekt bezoekers aan uit geheel België en is ook internationaal gerenommeerd en speelt een belangrijke rol in de cultuurbeleving in Sint-Martens-Latem.
Het museum behoort tot de erkende en gesubsidieerde kunst- en erfgoedorganisaties van Vlaanderen en onderschrijft en respecteert de voorschriften vastgelegd in de Vlaamse decreten ter zake.
De inwoners en het lokaal bestuur van Sint-Martens-Latem zijn prioritaire belanghebbenden bij een goede werking en positieve uitstraling van het museum Dhondt-Dhaenens. Omgekeerd draagt het museum bij tot het culturele imago van de gemeente.
Het lokaal bestuur en het museum willen zich inzetten voor een harmonieuze interactie en samenwerking waar beide partijen en alle belanghebbenden de vruchten van plukken. Zij zijn bereid elkaar bij te staan in de realisatie van de respectieve doelstellingen.
Het charter omschrijft zeven principes voor de samenwerking en fungeert als referentietekst waarop concrete afspraken en acties kunnen worden gestoeld en de gedragslijnen van beide partijen kunnen worden afgestemd en getoetst.
Het gemeenschappelijk doel is een positieve bijdrage te leveren aan de cultuurparticipatie van alle bevolkingsgroepen in de brede omgeving van Sint-Martens-Latem, met een specifieke aandacht voor diversiteit, duurzaamheid en goed nabuurschap.
1. MDD is een open huis
De drempels voor bezoek aan het MDD worden weggewerkt.
Het lokaal bestuur staat MDD bij in:
2. We streven naar een actieve samenwerking en synergie met cultuurorganisaties in de regio
De cultuurorganisaties in de Leie regio versterken elkaar.
Het lokaal bestuur staat MDD bij in:
3. Onze basishouding is creatief en oplossingsgericht
Bij nieuwe initiatieven wordt gefocust op het ‘waarom’ en niet op het ‘hoe’.
Er wordt hierbij rekening gehouden met de geldende regelgeving.
Het lokaal bestuur staat MDD bij in:
4. We hebben een wederzijds respect voor de keuzes en de culturele programmatie
We hebben geen a priorismes, maar een open blik op de programma’s en projecten van de partners.
Het lokaal bestuur staat MDD bij in:
5. We proberen met de beschikbare middelen een optimaal resultaat neer te zetten
Een kunst- en erfgoedwerking start met passie, maar vraagt ook financiële middelen om experiment en initiatief mogelijk te maken.
Het lokaal bestuur staat MDD bij in:
6. We stellen diversiteit, duurzaamheid en goed nabuurschap vooraan op de agenda
De cultuuractoren moeten voorlopers zijn op maatschappelijk vlak.
Het lokaal bestuur staat MDD bij met:
7. We houden de vinger aan de pols en sturen bij waar nodig
Een afsprakenkader is wel bedoeld voor de langere termijn maar daarom niet rigide.
Het lokaal bestuur zorgt voor:
Dit charter is een intentieverklaring die aangegaan wordt van 1 januari 2026 tot 31 december 2031 (het jaar volgend op het einde van de legislatuur van het lokaal bestuur). Beide partijen komen overeen om 3 maanden voor het einde van de looptijd een evaluatie over de voorbije periode te maken en suggesties te formuleren voor een nieuwe periode.
Een verlenging van het huidige charter of het aangaan van een nieuwe intentieverklaring dient worden voorgelegd aan hun respectieve gemachtigde vertegenwoordigers.
Namens Gemeenteraad,
Jef Van den Heede
Algemeen directeur - waarnemend
Filip Vanparys
Voorzitter