Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder artikel 74.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder de artikelen 74, 277 en 278.
Het zittingsverslag werd vervangen door een audio-opname die beschikbaar wordt gesteld op de website.
Enig artikel. Keurt de notulen en het zittingsverslag van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van 17 november 2025 goed.
Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 78 3°
Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van 13 april 2019.
Wet van 4 mei 2023 houdende invoeging van boek XIX 'Schulden van de consument' in het Wetboek van Economisch Recht.
Decreet over het Lokaal Bestuur van 22 december 2017, artikel 177.
De sociale dienst kenmerkt zich in haar dienstverlening door een mensgerichte, sociale en juridische aanpak, waarbij het evenwicht wordt gezocht tussen het recht op maatschappelijke dienstverlening en de noodzaak tot terugvordering van verleende steun. OCMW’s zijn wettelijk verplicht om hulp te bieden aan mensen die niet in staat zijn om een menswaardig leven te leiden. Dit betekent dat hulpverlening altijd primeert op terugvordering. Debiteurenbeheer gebeurt dus met respect voor de situatie van de cliënt en met oog voor hun welzijn. Het BCSD beslist op basis van een sociaal onderzoek door de maatschappelijk werker of een verleende steun al dan niet terugvorderbaar is. Dit betekent dat de cliënt die de steun heeft ontvangen, financieel in staat is om deze steun, eventueel via een afbetalingsplan, terug te betalen.
Het retributiereglement voor de niet-fiscale ontvangsten van het OCMW is daarom uniform met het retributiereglement voor de niet-fiscale ontvangsten van de gemeente.
De kostprijs van het debiteurenbeheer wil het lokaal bestuur in de mate van het mogelijke verhalen op de wanbetalers, zodat niet alle burgers moeten bijdragen aan de kosten die gemaakt moeten worden voor een (kleine) groep slechte betalers. Hierbij wordt gewaakt over de (wettelijke) doelstelling van bestrijding en voorkoming van armoede.
Als een burger die van goede wil is betalingsmoeilijkheden ondervindt, zal hij of zij steeds de kans krijgen om een betalingsregeling af te spreken.
De invorderingsprocedure mag niet leiden tot een opeenstapeling van kosten. De verzending van de schuldvordering gebeurt zonder aanrekening van kosten. Daarnaast zal een eerste niet-aangetekende aanmaning gratis worden verstuurd vooraleer een tweede en derde aanmaning worden verstuurd waar kosten aan verbonden zijn. In de volgende stappen van invordering (dwangbevel, derdenbeslag, hypothecaire inschrijving) worden administratieve kosten aangerekend bovenop de eventuele gerechtsdeurwaarderskosten en andere reële kosten.
Bij betaling worden eerst de administratiekosten aangezuiverd en vervolgens de hoofdsom van de schuldvordering.
Om de kans op invordering te maximaliseren wordt voorzien dat de financieel directeur indien nodig kan afwijken van deze procedure in een specifiek dossier.
Artikel 1. De raad voor maatschappelijk welzijn keurt het retributiereglement ter invordering van niet-fiscale ontvangsten bij het OCMW (2026-2031), zoals opgenomen in bijlage van het besluit, goed en treedt in werking op 1 januari 2026.
Bijlage: Retributiereglement ter invordering van niet-fiscale ontvangsten bij het OCMW (2026-2031)
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit retributiereglement wordt verstaan onder:
Artikel 2. Toepassingsgebied
§1. Het OCMW heft een retributie voor de administratie- en aanmaningskosten verbonden aan de invordering van openstaande niet-fiscale invorderingen bij het OCMW.
Dit retributiereglement is van toepassing op de niet-fiscale ontvangsten bij het OCMW die worden geïnd vanaf 1 januari 2026.
§2. Het retributiereglement is geldig van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 3. Heffingsplichtige
De retributie is verschuldigd door de schuldenaar die de niet-fiscale vordering niet betaalt binnen de wettelijk bepaalde vervaltermijn.
Artikel 4. Retributie
§1. De schuldenaar van niet-fiscale ontvangsten wordt een redelijke betalingstermijn van 30 dagen verleend, volgend op de datum van verzending van de niet-fiscale vordering. Hierbij wordt de aandacht gevestigd op de mogelijkheid tot betwisting, schriftelijk, redelijk gemotiveerd en binnen dezelfde termijn van 30 dagen.
In het geval van een lopend contract of een afbetaalplan geldt de afgesproken vervaldatum.
§2. Indien de schuldenaar niet betaalt binnen de betalingstermijn van 30 dagen wordt gratis een eerste aanmaning verstuurd per gewone post met een betalingstermijn van 14 dagen, volgend op de datum van de eerste aanmaning.
§3. Indien de schuldenaar niet betaalt binnen de betalingstermijn van de eerste aanmaning, wordt een kost van 25 euro aangerekend voor de aangetekende verzending van een tweede aanmaning met een betalingstermijn van 14 dagen.
§4. Indien de schuldenaar niet betaalt binnen de betalingstermijn van de tweede aanmaning, wordt een kost van 30 euro aangerekend voor de aangetekende verzending van een derde aanmaning met een betalingstermijn van 14 dagen.
Gezien de beginselen van behoorlijk bestuur wordt bij het verzenden van deze laatste aangetekende aanmaning melding gegeven dat in de volgende fase een dwangbevel zal worden overgemaakt bij deurwaardersexploot indien het totaal openstaand bedrag niet wordt vereffend binnen voormelde termijn of de schuldvordering niet redelijk en gegrond wordt betwist.
§5. Indien een schuldenaar een afbetalingsplan krijgt en dit vervolgens niet nakomt, wordt hem een aanmaning gestuurd. Voor deze aanmaning wordt een kost van 25 euro aangerekend.
§6. Wanneer de schuldenaar na de derde aangetekende aanmaning niet overgaat tot betaling van de volledige schuld, kosten en intresten inbegrepen, kan de financieel directeur overgaan tot opmaak van een dwangbevel met het oog op betekening door een gerechtsdeurwaarder.
Bovenop de gerechtsdeurwaarderskosten wordt een administratieve kost van 35 euro aangerekend voor de opmaak van het dwangbevel en het overmaken van het dossier aan de gerechtsdeurwaarder.
§7. Indien na betekening van een dwangbevel de schuldenaar nog steeds in gebreke blijft, kan de financieel directeur volgende stappen nemen in gedwongen uitvoering en invordering. Hierbij wordt telkens de overeenstemmende kost opgegeven. Deze kost wordt aangerekend bovenop de eventuele gerechtsdeurwaarderskosten en reële kosten die op grond van de wettelijke regelingen worden doorgerekend aan de schuldenaar.
§8. Bovenstaande procedure bevat minimaal de vereiste stappen voor inning van ontvangsten. De financieel directeur kan naargelang het voorliggend dossier afwijken van deze procedure als de kans op invordering in het gedrang komt.
Artikel 5. Inning
§1. Bij betaling zullen eerst de volgens onderhavig retributiereglement aangerekende kosten aangezuiverd worden, en vervolgens de openstaande niet-fiscale ontvangst.
§2. Als het OCMW voor een bepaalde retributie de eBox gebruikt om digitaal een invorderingsdocument ter beschikking te stellen en als de schuldenaar de eBox activeerde, wordt dit invorderingsdocument echter uitsluitend via de eBox aangeboden. Het activeren van de eBox geldt als een uitdrukkelijke instemming met digitale aanbieding.
De digitale aanbieding geldt als rechtsgeldige kennisgeving van dit invorderingsdocument en brengt dezelfde rechtsgevolgen tot stand als de verzending ervan in gesloten omslag. Van zodra de eBox niet meer geactiveerd is, wordt het invorderingsdocument in kwestie door het gemeentebestuur toegezonden overeenkomstig artikel 4.
Artikel 6. Klachten en bezwaren
In geval van bezwaar wordt de klachtenprocedure van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gevolgd.
Artikel 7 Bekendmaking
De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Het retributiereglement wordt afgekondigd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 § 1 en 287 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt op de gemeentelijke website: www.sint-martens-latem.be
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder artikelen 77, 4° en 249 § 3.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder artikelen 249 tot 256 en artikel 597;
Het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen;
Het Ministerieel Besluit van 26 juni 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen;
Omzendbrief BB 2013/7 van 6 september 2013 houdende digitale rapportering over de beleids- en beheerscyclus;
Omzendbrief KBBJ/ABB 2025/1 betreffende de strategische meerjarenplannen 2026-2031 van de lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus
Zoals bepaald in artikel 249 §3 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, stelt de raad voor maatschappelijk welzijn het deel van het beleidsrapport
voor het OCMW vast.
Artikel 1. Goedkeuring wordt verleend aan de strategische nota van het Meerjarenplan 2026-2031 - deel OCMW.
Art. 2. Goedkeuring wordt verleend aan de financiële nota bestaande uit:
Art. 3. Akte wordt genomen van de toelichting en de documentatie bij het meerjarenplan.
Art. 4. Het besluit houdende vaststelling van het Meerjarenplan 2026-2031 wordt samen met de verplichte bijlagen binnen de 20 dagen overgemaakt aan de provinciegouverneur. De digitale rapportering van de vastgestelde beleidsrapporten gebeurt via het digitaal loket van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur.
Namens Raad voor Maatschappelijk Welzijn,
Jef Van den Heede
Algemeen directeur - waarnemend
Filip Vanparys
Voorzitter